`Vijftien kilometer fietsen voor de koopjes'

Kat: ,,Vader Dirk had geen affiniteit met het boeren. Hij was de oudste zoon, maar begon na de ulo bij een bank in Wormerveer en ging daarna bij Simon de Wit werken, eerst op kantoor, later in de buitendienst in Amsterdam. Simon de Wit was de kruidenier. Daar leerde je het vak. Albert Heijn was toen een soort discounter.

Bij Simon de Wit was je met schrobben erbij zaterdags pas om een uur of tien 's avonds klaar. Om middernacht thuis. En omdat hij de rest van de week niet meehielp op de boerderij, moest vader Dirk op zondag melken. Om vier of vijf uur op, twee van die bussen in een jol, een eind roeien en dan melken.

In de oorlog, na de mobilisatie, begon vader Dirk voor zichzelf. Kruideniers werkten toen met `horen en bezorgen'. Dat kostte heel veel tijd. Je moest langs om de bestelling op te nemen, koffie drinken, dan de spullen brengen met de bakfiets. En alles op de pof. De betaling liep steeds een week achter.

Zelfbediening was om de productiviteit te verhogen. Het was een apart volk dat er mee begon, niet de traditionele kruideniers, maar mannen met gevoel voor handel. Mannen die in massa konden denken. Tien dubbeltjes is meer dan drie kwartjes. Het waren vooral verkopers, de inkoop was niet nummer één.''

Terol: ,,Op maandag ging meneer Kat naar de beurs (van Berlage) in Amsterdam. Daar kwamen alle fabrikanten, alle snoepjesboeren, de koffiehandelaren. Om zes uur kwam hij weer thuis in Velsen-Noord. Hij at boven een boterham. En daarna gingen we in het magazijn kijken wat er op de koopjestafel zou komen voor de `dolle dinsdag'. Dat waren rauspartijen, grote bestellingen voor de koopjestafel midden in de winkel. En daarna lagen we allebei op de grond met plakkaatverf de prijskaarten te maken. Voor de dolle dinsdag kwamen de mensen uit de hele regio, tien vijftien kilometer op de fiets. De acties werden in de winkel omgeroepen met een geluidsinstallatie. Vader stond zelf achter de microfoon in Velsen-Noord.''

Kat: ,,Die koopjestafel hebben we nog steeds, alleen duren de aanbiedingen nu een hele week.

,,Het was de wederopbouw. Zelfbediening, en zeker de koopjes, scheelde nogal wat in de prijzen. In die tijd bestond nog vijftig, misschien wel zestig procent van de omzet uit levensmiddelen. Zelfbediening betekende dat alles verpakt in stellingen langs de muur stond. Maar we moesten, behalve de koffie en de thee, alles zelf inpakken. Dat deden de meisjes in het magazijn achter de winkel. Met kleine schepjes uit van die vijftig-kilobalen suiker, allemaal handwerk.

Het assortiment was nog klein: twee soorten appelmoes, één driekwart en één jampot. Nu hebben we er wel twaalf staan. Eén soort macaroni, twee soorten rijst. Het stond op grote stapels. Wat onderop stond was misschien wel twee of drie jaar oud. Van first in, first out had toen nog niemand gehoord.

Er was een behoorlijke concurrentie tussen die pioniers. Ze kenden elkaar ook goed, hielden elkaars omzet in de gaten. Toen er drie winkels waren nam vader Dirk een directeur in dienst, Jan van Hedel, een accountant. Hij was directeur van de Middenstandsbank in Beverwijk en had er een eigen praktijk naast. Hij deed onze administratie, maar ook die van Dirk van den Broek en van Groenwoudt in Bussum. En hij was het fiscale geweten voor een hele generatie van de pioniers. Zijn salaris legde natuurlijk een heel beslag op onze winkels, maar vader had echt het idee om te groeien. Het kon ook, je haalde alle omzet weg bij het `horen en bezorgen'. Pas sinds kort is het met de supermarkten een verdringingsmarkt geworden. Als er nu een nieuwe komt, gaat dat ten koste van de bestaande winkels.

De DekaMarkt is nog steeds een familiebedrijf en dat willen we deze generatie graag zo houden. Over vader Dirk is inderdaad nooit veel geschreven. Noem mij eens twee Noord-Hollanders die de publiciteit zoeken? De voorzitter van AZ, maar verder? Dirk van den Broek en Jac. Hermans kwamen wel in de publiciteit, maar dat waren Amsterdammers.''

    • Remmelt Otten