Verzoening is basisvoorwaarde voor vrede

De twintigste eeuw heeft een scala van beginselen en normen opgeleverd betreffende de rechten van de mens. In de komende eeuw moeten zij op hun waarde worden getoetst via het middel van implementatie, vindt Theo van Boven.

Nu een nieuwe eeuwwisseling voor de deur staat, bestaat alle aanleiding lijnen uit te zetten en perspectieven te schetsen gericht op een meer vreedzame en een meer rechtvaardige internationale samenleving.

Nationale identiteit, gevoed door gemeenschappelijke cultuur, taal en religie bevordert saamhorigheid en is een groot goed voor volkeren en mensen. Zij vindt haar grenzen in haar aanraking met andere culturen en met rechten en belangen van minderheden. Nationale identiteit is nauw verbonden met nationale soevereiniteit, die op haar beurt is gekoppeld aan de nationale staat en als zodanig een sleutelpositie inneemt in het internationale recht. Het zou onwijs zijn de notie van nationale soevereiniteit overboord te gooien. Zij verschaft veiligheid en biedt ruimte voor identiteit en eigenwaarde van mensen en volkeren.

Tegelijkertijd mag nationale soevereiniteit niet als dekmantel dienen om ernstige schendingen van de rechten van de mens te tolereren, internationale misdrijven met straffeloosheid te bejegenen, belangen van internationale milieubescherming te frustreren, kortom dwingende normen voortvloeiend uit het internationale recht te schenden of te veronachtzamen. De grenzen van nationale soevereiniteit zijn geen vast gegeven; zij veranderen in het perspectief van groeiende internationale samenwerking en van supranationale normstelling.

In het verlengde van nationale soevereiniteit ligt het recht van volkeren op zelfbeschikking. Dit recht heeft politieke, sociale, economische en culturele dimensies. Te vaak wordt het recht op zelfbeschikking vereenzelvigd met een recht op afscheiding. Daarmee heeft dit grondbegrip een uiterst omstreden karakter en draagt het in potentie conflict en geweld met zich mee. Oplossingen moeten primair gezocht worden in vormen van interne zelfbeschikking, zoals autonomie, zelfbestuur, zeggenschap over eigen bestuurlijke, economische, educatieve en culturele zaken. Deze benadering kan ertoe bijdragen geschillen bij te leggen en conflicten te voorkomen. Zij veronderstelt wel een open instelling ten aanzien van etnische, religieuze, sociale en taalkundige minderheden.

Een ander grondbegrip dat in een herijking moet worden betrokken is dat van verantwoordelijkheid. In het internationale recht, waaronder begrepen de internationale bevordering en bescherming van de rechten van de mens, staat de doctrine van staatsaansprakelijkheid centraal. In deze periode rond de eeuwwisseling zien wij echter allerlei andere actoren dan nationale staten voor het voetlicht komen. De internationale civil society is rijk geschakeerd en bestaat uit groepen en organisaties die zich inzetten voor de rechten van de mens, meer specifiek vrouwenrechten, kinderrechten, rechten van inheemse volkeren, vakbondsrechten en dergelijke. Wij noemen eveneens organisaties voor humanitaire hulpverlening, ontwikkeling, milieu. Van een andere orde, in termen van macht en invloed hoogst belangrijk, zijn transnationale ondernemingen die als motor fungeren voor de globalisering van de economie en die de terugtredende staat naar de kroon steken.

Raciale tegenstellingen, etnische conflicten, praktijken voortvloeiende uit godsdienstige onverdraagzaamheid hebben door de eeuwen heen de mensheid geteisterd. De rassenleer en de uitroeiingspraktijken van het nazisme staan nog vers in het geheugen. Het verdrag ter voorkoming en bestraffing van het misdrijf volkerenmoord (1948) vormde hierop een reactie. Blanke overheersing gepaard met koloniale expansiezucht hielden zich tot na de Tweede Wereldoorlog staande. De apartheid in Zuid-Afrika was weliswaar het meest hardnekkige en ver doorgevoerde bestel van geïnstitutionaliseerde ongelijkheid en achterstelling, maar een minder uniek verschijnsel dan velen beweerden. Het verdrag ter uitbanning van elke vorm van rassendiscriminatie (1965) vormde een juridisch en politiek antwoord.

De periode na de Koude Oorlog werd en wordt gekenmerkt door etnische en religieuze conflicten in de Balkan, in Noord- en Centraal-Afrika en in delen van Azië, die elkaar in wreedheid overtreffen en onnoemelijk leed veroorzaken. In het vocabulaire van menselijke wreedheden heeft de term `etnische zuiveringen' een vooraanstaande plaats gekregen. De Verenigde Naties stelden tribunalen in ter vervolging en berechting van misdadigers die zich in het voormalige Joegoslavië en in Rwanda schuldig maakten aan volkerenmoord, oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid. Bij wijze van investering in een toekomst die dit soort praktijken – meer dan in heden en verleden - zal toetsen aan de eis van gerechtigheid, is medio 1998 een beslissende stap gezet in de richting van een in Den Haag te vestigen Internationaal Strafrechtstribunaal.

Een geduchte en overheersende factor die ook in de komende decennia de gemarginaliseerde en de kwetsbare mens zal treffen, is het complexe proces van globalisering van het economische en financiële verkeer. Deze globalisering overstijgt economische en financiële scheidslijnen. Zij opent communicatie- en informatiesystemen, maar zij dreigt menselijke scheidslijnen, tussen arm en rijk, tussen autochtoon en allochtoon, tussen mensen van verschillende huidskleur en etnische afstamming, te verbreden en te verdiepen. Globalisering die zich afspeelt buiten de sfeer van democratische controle en die beheerst wordt door economische wetten van de markt zonder de sociale gevolgen te verdisconteren, biedt geen hoopvol perspectief waar tegenstellingen tussen mensen, groepen en volkeren zich toespitsen.

Zelden biedt het gebruik van geweld uitkomst. Escalerend en vernietigend geweld, disproportionele inzet van vernietingsmacht hebben meestal de overhand ten opzichte van verlossend en bevrijdend geweld. Het Handvest van de Verenigde Naties blijft de richtinggevende norm: gebruik van geweld is alleen toegestaan als zelfverdediging tegen een militaire aanval of op basis van een uitdrukkelijk mandaat van de Veiligheidsraad. Deze norm blijkt aan erosie onderhevig. Het instrumentarium van de Verenigde Naties biedt overigens de beste mogelijkheden om aan vredesbeleid gestalte te geven, mits de aangeduide middelen voor vreedzame geschillenbeslechting worden benut en aan de wereldorganisatie de politieke en materiële middelen worden verschaft tot effectief optreden. Nog steeds biedt An Agenda for Peace (1992 en aangevuld in 1995) van secretaris-generaal Boutros-Ghali een voortreffelijke blauwdruk om aan de rol van de Verenigde Naties op het stuk van preventieve diplomatie, vredestichting en vredebewaring gestalte te geven.

Preventie is het wachtwoord voor de toekomst. De eenentwintigste eeuw betekent niet het einde van de diplomatie maar, integendeel, biedt nieuwe perspectieven voor een op preventie gerichte diplomatie. De belangstelling gaat meestal uit naar situaties waar preventie achterwege is gebleven of is mislukt. Waar preventie succesvol bleek (bijvoorbeeld in de Centraal-Afrikaanse Republiek, Macedonië, Oost-Slavonië), is het nieuwsgehalte gering. De Hoge Commissaris voor de Rechten van de Mens van de VN en de Hoge Commissaris voor Nationale Minderheden van de OVSE hebben ervaren en onderstreept dat preventie wel degelijk een belangrijke techniek is om grootschalige en grove schendingen van de rechten van de mens en conflicten betreffende minderheden te ondervangen of binnen de perken te houden. Meer dan welk ander middel zal preventie centraal moeten staan in elke strategie die gericht is op vrede en gerechtigheid. Bestaande lijnen en ervaringen op dit gebied dienen te worden doorgetrokken.

De twintigste eeuw heeft een rijk en gevarieerd netwerk van beginselen en normen opgeleverd, vooral op het gebied van de rechten van de mens en het humanitaire recht. In de eenentwintigste eeuw moeten deze normen op hun waarde worden getoetst via het middel van implementatie. Op de naleving van de norm moet primair op nationaal niveau gewaakt worden. De wetgever en de rechter dragen een belangrijke verantwoordelijkheid. Een onafhankelijke rechterlijke macht is een absoluut vereiste, maar ook andere rechtsinstituten, zoals ombudspersonen, geschillencommissies, kunnen een constructieve rol vervullen bij de handhaving en verwezenlijking van de norm. Onmisbaar zijn organisaties en groepen die nationaal en internationaal tot de civil society behoren en die naast regeringen en ondernemingen een verbindingslijn kunnen leggen tussen nationaal en internationaal toezicht op normen vastgelegd in internationale verdragen.

De 21ste eeuw zal meer nadruk moeten leggen op educatie als middel om in geesten van mensen kennis en gevoel aan te kweken van respect voor medemensen. Investeren in en vorm geven aan vredesonderwijs, kennis en begrip bijbrengen over andere samenlevingen en culturen, over ontwikkeling en de rechten van de mens moet met meer kracht en overtuiging worden bevorderd.

In een totaalbeeld en een totaalvisie op vrede en gerechtigheid mag niet ontbreken dat waarheid en verzoening basisvoorwaarden zijn voor duurzame vrede. Openbaarmaking van wat geschied is, erkenning van verantwoordelijkheid voor gepleegd onrecht, genoegdoening aan slachtoffers zijn essentiële componenten om met elkaar, individueel en collectief, in het reine te komen. Verzoening betekent niet toedekken en wegmoffelen, maar is een inspannend en complex proces waarin openheid, erkenning en reparatie tot een nieuw samen-leven kunnen leiden. Verzoening kan niet worden opgelegd. Een op verzoening gericht beleid schept voorwaarden en ruimte.

Prof.mr. Th. van Boven is sinds 1982 hoogleraar Internationaal Recht aan de Universiteit Maastricht. Dit is een ingekorte en bewerkte versie van zijn bijdrage aan het boek !vrede alstublieft, dat deze week verschijnt bij uitgeverij De Vijver.

    • Theo van Boven