Verloving

In het artikel `Stappen tot een koninklijke verloving vergen een lange adem' (2 september) constateert Menno de Bruyne dat de verloving van een troonopvolger staatsrechtelijk niets voorstelt. Nergens in de wetgeving is een regel aan de verloving van een troonopvolger gewijd; De Bruyne verbaast zich hierover, omdat naar zijn oordeel zo'n verloving ,,minstens zo belangrijk'' is als diens huwelijk. De Nederlandse wetgeving bevat geen specifieke bepaling betreffende de verloving van een troonopvolger, maar wel een voor een ieder (dus ook voor de troonopvolger) geldende bepaling inzake de verloving. Het betreft hier art. 49 van Boek 1 van het BW inhoudend dat trouwbeloften niet binden en dat bij verbreking geen aanspraak bestaat op schadevergoeding. De regel is overgenomen van art. 113 van het oud BW van 1838, waarmee de wetgever beoogde de verloving buiten de sfeer van recht en wet te brengen. Hij reageerde hiermee op jurisprudentie uit de 18de eeuw inzake jongelieden, die ieder tegelijkertijd met verschillende jongedames verloofd bleken te zijn. Wanneer een vermogende jongeman de verloving met één of meer verloofdes verbrak, kon hij naar oud-vaderlands recht door de rechter worden veroordeeld een deel van zijn vermogen aan de afgewezen verloofde(s) af te staan. Men zou in de Grondwet een uitzondering op art. 49 BW kunnen opnemen voor de verloving van het staatshoofd of de troonopvolger(s), maar de vraag is of dit wenselijk is. Het aantal regels betrekking hebbend op één persoon (of één instelling) moet bij voorkeur zo beperkt mogelijk worden gehouden. Verder is het onzeker of zo'n regel geëigend zal zijn om in iedere situatie te worden toegepast. De praktijk is altijd gevarieerder dan het voorstellingsvermogen van de wetgever en de kans is reëel dat een regel voor de verloving van troonopvolgers in een bepaalde situatie als storend zal worden ervaren.