Schoolkrant voor de beeldende kunst

Vroeger had je het in Nederland na Metropolis M, Tableau, Vitrine en Kunstbeeld met de tijdschriften over beeldende kunst in Nederland gauw gehad. De laatste tien jaar zijn daar heel wat bijgekomen, maar blijkbaar nog niet genoeg. Afgelopen zaterdag werd Kastalia gepresenteerd, `een nieuw kunstblad met een eigen benadering van beeldende kunst', en binnenkort verschijnt tevens nummer één van een nieuw magazine van het Rotterdamse kunstcentrum Witte de With.

Kastalia's auteurs `gaan op afstand van de actualiteit in op wat kunst hen te bieden heeft', legt een bijbehorend persbericht die eigen benadering uit, `vanuit een persoonlijk vertrekpunt'. Die informatie is overbodig, want hun ego's stuiteren over de pagina's. Van de journalistieke wet dat de ik-vorm in een artikel een barrière opwerpt tussen de lezer en het kunstwerk, hebben de Kastalia-auteurs blijkbaar nog nooit gehoord, of, en dat is waarschijnlijker, ze trekken zich er bewust niets van aan.

Bij de bijdrage van Hans Aarsman is dat nog niet zo erg. Zijn persoonlijke ontboezemingen over wat hij waarneemt, hebben tenminste een context die de moeite waard is en die de lezer van een kunsttijdschrift als dit waarschijnlijk kent: die van zijn eigen, bijzondere foto's van Amsterdam en Nederland, waarvan Kastalia er een publiceert. Aarsmans notities geven een idee van de kijk- en denkwereld van een bijzondere fotograaf en zijn daarom interessant voor de lezer. Bovendien kan Aarsman schrijven. De meeste andere kunstenaars, kunsthistorici en essayisten die het eerste nummer van Kastalia vulden – onder anderen Ramón Gieling, Gijs Frieling en Mark Manders – kunnen dat niet. Nu is dat overkomelijk wanneer de auteur iets heeft te melden wat de lezer nog niet weet of hem op een nieuwe gedachte brengt. Maar dat soort zaken zijn zeldzaam in Kastalia. Het lijkt wel alsof de kunstenaars denken dat alles wat ze te melden hebben interessant is, enkel en alleen omdat ze kunstenaar zijn.

Het idee van Esther Polak om de haakwerkjes waarmee ze zich in de trein onledig houdt, te vergelijken met typografie, is best aardig, maar mag het dan iets verder gaan dan die constatering? Evenmin wordt de lezer veel wijzer van gesprekjes van Gijs Frieling met zijn galeriehouder en gemijmer over het ontstaan van draken op een schilderij `als een opeenstapeling van elementen'. Of van hoofdredacteur Jurriaan Benschop die als `missie' de Mont Sainte Victoire beklimt en ziet dat Cézanne daar `de hartslag van de natuur' gevoeld moet hebben. Dat draagt niet bepaald bij aan de reeds overvloedige kennis over Cézanne.

`Literaire kunstbeschouwing' noemt Kastalia dat, maar de meeste artikelen komen niet uit boven schoolkrantniveau. Waarom Benschop en zijn mede-auteurs in vredesnaam dit soort kunstklets publiceren, is de vraag. Voor lezers lijkt Kastalia niet bedoeld. Het is eerder een vingeroefening voor de auteurs.

Beeldende kunst. Kastalia, jaargang 1, nr. 1, Uitg. Kastalia, Postbus92077, 1090 AB Amsterdam. Tel (020) 4689257, e-mail: kastalia@hotmail.com. Prijs ƒ14,25.