Relatie rijke landen en Afrika in impasse

Niemand in de grote industrielanden die een rol van enig belang speelt bij de beleidsvorming over Afrika, heeft een duidelijke opvatting over hoe het met Afrika verder moet.

De oude recepten voor vrede en welvaart in dit continent zijn in het algemeen gesproken onwerkzaam geworden. Nieuwe ideeën zijn niet zo heel moeilijk te bedenken, maar het probleem is dat de meeste daarvan gevolgen voor onszelf zouden hebben die we liever niet in overweging nemen. Daarom worden ze doorgaans niet in de praktijk gebracht.

De ernstigste belemmering voor een nieuwe visie op Afrika is dat men in de rijke landen geneigd is te menen dat Afrika op het wereldtoneel niet of nauwelijks meetelt. Politici in Europa en Noord-Amerika rechtvaardigen hun uit deze veronderstelling voortvloeiende passiviteit gewoonlijk met de leuzen van de oude Derde-Wereldbeweging, met de strekking dat Afrikanen nu eindelijk eens de kans moeten krijgen voor zichzelf te zorgen: `Afrikaanse oplossingen voor Afrikaanse problemen'. In een iets andere context zou dit kunnen wijzen op een vorm van creatief denken, maar zoals de zaken staan heeft het verdacht veel weg van cynisme.

Om deze impasse te doorbreken moeten we allereerst de wijdverbreide misvatting erkennen dat Afrika pas ten tijde van de kolonisatie, rond een eeuw geleden, tot de grote wereld is gaan behoren, en dat het thans weer bezig is daaruit te verdwijnen. In werkelijkheid staat Afrika met de rest van de wereld in verbinding via mechanismen als hulpprojecten, schulden, migratie en informele handel, waaronder die in wapens en drugs. Het is niet het soort relaties waarvan men na vijftig jaar ontwikkelingshulp had gehoopt dat ze zouden floreren, maar ze bestaan.

Sommige schrijvers over de geschiedenis van onze eeuw, zoals Eric Hobsbawm, menen dat de wereld als geheel juist in de jaren '70 belangrijke veranderingen heeft doorgemaakt, dus nog voor de val van het communisme. Cruciale gebeurtenissen in dat tijdvak waren het loslaten van de vaste dollar/goudprijs in de VS, de stijging van de olieprijzen, snelle schommelingen in de grondstoffenprijzen en de opkomst van nieuwe technologieën in informatica en biogenetica die zich overal ter wereld hebben doen gelden. Het verbaast dan ook nauwelijks dat de uitgangspunten en conventies die ten grondslag liggen aan het internationale diplomatieke en juridische stelsel zoals dat na de Tweede Wereldoorlog is ontstaan, eveneens zijn veranderd. Tot die uitgangspunten behoren: de gedachte dat de wereld het best langs politieke weg kan worden bestuurd door soevereine staten die onderling bindende afspraken kunnen maken; dat alle samenlevingen zich langs globaal voorspelbare lijnen zullen ontwikkelen als ze bepaalde politieke strategieën en economische koersen volgen; dat economische groei praktisch onbegrensd kan zijn; dat godsdienst als politieke factor, zoals in Europa, ook overal elders op haar retour is. Al die uitgangspunten zijn inmiddels achterhaald, of staan althans meer ter discussie dan op het hoogtepunt van de Koude Oorlog.

Maar wie over Afrika nadenkt in de context van de huidige wereld in plaats van de toenmalige, stuit op onaangename gedachten. Een daarvan betreft migratie: hoewel alleen extreem-rechts dat zonder blikken of blozen uitspreekt, lijkt het erop dat de Europeanen het in het algemeen niet op prijs stellen als er méér zwarte medemensen in hun midden komen wonen. Bij de vraag of men werkelijk zo denkt en waarom hoeven we hier niet stil te staan. Waar het om gaat is eenvoudig dat de toekomst van Afrika onlosmakelijk verbonden is aan ons immigratiebeleid. Het wemelt in Afrika van vooral jonge mannen die niet per se hun leven lang elders willen wonen, maar die dolgraag in een ander land willen werken totdat ze genoeg geld bijeen hebben om in eigen land een bedrijf te beginnen. Het huidige Europese beleid verhindert dat. Maar de immigranten komen toch, vaak illegaal en onder schandalige omstandigheden. Dat is een realiteit en men moet die onder ogen zien.

In beginsel is een van de voornaamste doelstellingen van het donorbeleid Afrika zo welvarend te maken dat jonge Afrikanen er niet langer weg willen. Maar allerlei diensten en bronnen van werkgelegenheid zijn in veel gebieden van Afrika weggevallen, zodat zich voor jonge mensen nauwelijks toekomstmogelijkheden voordoen. In de jaren '80 hebben donorinstanties, bedwelmd door de toen gangbare theorieën, tot het ontstaan van deze situatie bijgedragen. In het algemeen zijn ze inmiddels wijzer geworden, maar de Westerse landen die hun Afrika-beleid grotendeels hebben geprivatiseerd door het in handen te geven van niet-gouvernementele organisaties of anderen, hebben nooit voldoende helder nagedacht over de vraag wat de particuliere sector kan en niet kan, en hoe deze kan worden gereguleerd. Eén voorbeeld: particuliere veiligheidsdiensten vormen in Afrika een florerende bedrijfstak. Deze huurlingen kunnen onder sommige omstandigheden een nuttige functie vervullen, maar welke omstandigheden dat zijn, moet nog worden vastgesteld. Wie daar niet over nadenkt, kan voor onaangename politieke verrassingen komen te staan, ook als het gaat om een van 's werelds meest obscure landen – zoals Tony Blair vorig jaar ontdekte toen de pers onthulde dat zijn regering zaken had gedaan met huurlingen in Sierra Leone.

Zorgelijker nog is het gegeven dat Afrikaanse staten weliswaar onbetwist bestaan voor het internationale recht, maar in sommige gevallen nauwelijks bestaan als administratieve instantie. Krijgsheren, avonturiers en criminelen van diverse pluimage hebben ontdekt dat deze juridische fictie een ideale dekmantel vormt voor openlijk criminele transacties, die soms voor ons allemaal ernstige consequenties hebben, zoals diverse vormen van smokkel, fraude, het witwassen van geld en de handel in drugs. Misschien moeten we het intrekken van de erkenning van staten overwegen, wanneer de daaraan verbonden soevereine status in feite slechts de bestaande stelsels van internationale regelgeving ondermijnt. Bij zoiets is de grootste voorzichtigheid geboden, om tal van redenen, waaronder de mogelijkheid van misbruik door machtige Westerse regeringen. Misschien zijn er in zulke quasi-staten andere tussenpersonen of autoriteiten aan te wijzen. En daarnaast moeten we natuurlijk ook de rol van de grote internationale financiële instellingen heroverwegen – het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank. Ook die zijn aan het eind van de Tweede Wereldoorlog opgericht voor een wereld die er heel anders uitzag dan thans. Tegenwoordig treden ze op als nieuwe supervisoren van Afrika, voornamelijk omdat niemand anders zich tot die taak geroepen voelt, een taak waarop zij echter volstrekt niet zijn berekend.

Stephen Ellis is verbonden aan het Afrika-Studiecentrum in Leiden.

    • Stephen Ellis