Ontgroening

Acht uur 's morgens. Voor de deur van de sociëteit van ODOLEH, een dispuut van het Amsterdams Studenten Corps aan de Keizersgracht, staan vier jonge mannen, pils voor de borst, samenzweerderig bijeen. Hun gezichten zijn ietwat verhit en opgeblazen, hun kleding – donker jasje, groene stropdas, lichte broek – heeft de slordige zwier van een doorwaakte nacht.

Een ander groepje van vier mannen – jonger, maar in dezelfde, zij het nog verfomfaaidere kledij – komt me hollend tegemoet. Ze melden zich doodop bij de vierschaar, die inmiddels in rieten stoeltjes heeft plaatsgenomen. Ze krijgen het bevel om door te gaan en ze verdwijnen gedwee naar de overkant van de gracht. Een blonde jongen heeft hen niet kunnen bijhouden, hij meldt zich struikelend bij de pilsdrinkers. Een van hen staat op en beveelt hem door te rennen, terwijl hij hem tegen de borst slaat. Ook deze jongen gehoorzaamt.

Ziehier: een ontgroening op maandagmorgen – dat krijg je als gewone burger niet elke week aangeboden.

Van het groepje dravers worden twee jongens afgezonderd. Ze moeten op de grond, op enkele meters van de ouderejaars, oefeningen doen: onafgebroken opdrukken en vanuit rugligging overeind komen. Soms buigt de leider van de ouderejaars, een man met een verbeten gezicht, zich over de ploeterende jongens. Hij tiert dat een van hen die nacht iets heel verkeerds met een slaapzak heeft gedaan. De jongens moeten doorgaan met hun oefeningen, maar ze kúnnen niet meer, hun bewegingen lijken eerder stuiptrekkingen. Nieuwe bevelen worden hun toegebruld.

Als de andere jongens zijn teruggekeerd, bedenkt de chef ontgroening een nieuw plan. Ze moeten opnieuw allemaal de gracht rondlopen, maar ditmaal zal hij, kort achter hen fietsend, toezicht houden. Eén jongen blijft halverwege uitgeput staan, het kotsen nader dan het lachen. De leider vloekt hem de huid vol, en laat hem dan achter. Een werkman roept vanaf de kant `mietje!' naar de achterblijver.

Waar kijk ik naar? Naar een wel heel letterlijke interpretatie van het begrip `kringloop van het leven'. Naar mensen die vernederen en mensen die vernederd worden, met de kanttekening dat degenen die nu vernederd worden te zijner tijd zelf mogen vernederen.

Zouden de deelnemers aan dit spel op sommige momenten schaamte voelen? De vernederden zeker, daarvoor zijn het vernederden. Maar de vernederaars?

Ja, ook zij. Ze doen wel stoer, maar het valt op dat ze ieder oogcontact met verbaasde passanten mijden. Als ik hen later bel om te vragen wat ODOLEH betekent, schiet een woordvoerder meteen in het defensief. `Wij zijn terughoudend met commentaar. Vanwege alle negatieve publiciteit over ontgroening'. `Ik wil alleen maar weten wat ODOLEH betekent', herhaal ik. Met grote tegenzin zegt hij: `Opgericht Door Oud-Leerlingen Ener Hogere Burgerschool'.