Jagland blijft maar steeds verliezen in Noorwegen

De sociaal-democraten in Noorwegen zijn, na de verkiezingen voor gemeenteraden en provinciale raden van gisteren, kleiner dan ooit. De partij van Thorbj⊘rn Jagland heeft sinds 1925 bij verkiezingen nog nooit minder dan dertig procent van de stemmen gehaald. Nadat de meeste stemmen inmiddels zijn geteld, blijkt de partij landelijk uit te komen op ongeveer 28,7 procent.

Jagland, in 1996 opvolger van de populaire Gro Harlem Brundtland als premier, zei gisteren dat de uitslag geen consequenties heeft voor zijn positie als partijleider. Volgens velen binnen de partij is Jagland medeschuldig aan het slechte resultaat van de sociaal-democraten, die overigens met 65 van de 165 zetels in het parlement nog steeds veruit de grootste partij vormen in Noorwegen.

Vroeger grapten sociaal-democraten nog wel eens dat verkiezingen eigenlijk `herverkiezingen' waren, zo zeker leken ze van regeringsverantwoordelijkheid. Maar toen Jagland bij de parlementsverkiezingen in 1997 waarschuwde dat een verlies van zijn partij – hoe klein ook – hem zou `dwingen' in de oppositie te gaan, verkeek hij zich op de situatie. Jagland wilde bewijzen dat het land zonder sociaal-democraten onregeerbaar was. Maar zijn verwachting dat een regering zonder sociaal-democraten binnen een paar maanden zou vallen, kwam niet uit.

De minderheidscoalitie van christen-democraat Kjell Magne Bondevik (samen met Centrumpartij en Liberalen niet meer dan 42 van de 165 parlementszetels) regeert nog steeds, maar is niet zonder kleerscheuren uit de verkiezingen gekomen. Bondevik voorspelde daarom gisteravond dat de onderhandelingen over de begroting voor volgend jaar moeilijker zullen worden. De premier achtte de kans dat hij volgend jaar nog regeringsleider was niet groter dan 50 procent. (Reuters, AFP)