Elzinga: het raadslid moet het stadhuis uit

De democratie in gemeenten verkeert in crisis en bedreigt daarmee de werking van het hele staatsbestel, de politieke partijen voorop. Dat zei D.J. Elzinga gisteravond in een lezing in Den Haag.

Politieke partijen opgelet: het roer moet om. Prof.mr. D.J. Elzinga wil geen onheilsprofeet zijn, maar zijn boodschap is niet mis te verstaan. ,,Het is voor partijen een situatie van to be or not to be. Als ze niet drastisch de bakens verzetten, kan het met hun positie snel gedaan zijn.''

Elzinga is voorzitter van de Staatscommissie die de werking van de lokale democratie onderzoekt. Begin volgend jaar zal de commissie met haar eindrapport komen. De staatscommissie is vorig jaar geïnstalleerd om na te gaan hoe de gemeenteraad beter kan functioneren en of er een gekozen burgemeester moet komen. De instelling van de Staatscommissie was een afspraak die de huidige regeringspartijen maakten in het regeerakkoord.

Gisteravond ontvouwde Elzinga alvast een analyse van de problemen in het nationale en lokale politieke bestel, in de zogenoemde Burgemeesterslezing die hij uitsprak in het stadhuis van Den Haag. Elzinga constateert dat het politieke systeem op een keerpunt staat. Hij voorziet in het komende decennium een vergaande verandering van democratische stelsels, waarin partijen een nieuwe gedaante aannemen of eenvoudig verdwijnen. Want, analyseert Elzinga, traditionele partijen en moderne burgers passen nauwelijks meer bij elkaar. Partijen zijn sterk intern gericht: vooral druk met het realiseren van hun programma. Maar burgers eisen tegenwoordig zichtbaarheid. Waar het politieke proces zich voltrekt onder `de kaasstolp' en de vorm aaneemt van een bureaucratische Papierkrieg is de steeds minder partijgebonden en steeds kritischer burger vooral geïnteresseerd in politici die resultaat boeken.

Het traditionele politieke systeem wringt. En het wringt het meest op het lokale niveau. Elzinga signaleert ,,crisisachtige verschijnselen'', met partijafdelingen die nauwelijks nog leden tellen, met gemeentepolitiek die wordt gemaakt in de binnenkamer en ver afstaat van de interesses van de burger. Terwijl partijen in snel tempo leeglopen, zoeken burgers nieuwe, directe wegen om invloed uit te oefenen. Soms individueel, soms collectief en als het dan toch politiek moet via ééndimensionale lokale protestpartijen.

Elzinga beperkt zich niet tot een analyse van de politieke crisis op lokaal niveau. Hij biedt ook een oplossing, althans een richting die het uitmoet. Hij bepleit een scherpe scheiding van de politieke machten in gemeenten. Gemeenteraadsleden moeten zich gaan gedragen als volksvertegenwoordigers, ze moeten het bestuur controleren op hoofdlijnen en zich verder vooral manifesteren bij de bevolking. Kortom, het raadslid moet het stadhuis uit. Als raadsleden niet langer op schoot zitten bij het college van B en W krijgt het college weer `smoel' voor de burger en krijgt het debat in de gemeenteraad ook weer een politieke lading, verwacht Elzinga.

Naast een gemeenteraad die zich scherper profileert, zowel buiten als in de raadszaal, bepleit Elzinga een duidelijker positie van de burgemeester met een grotere rol in het college van B en W. De voorzitter van de Staatscommissie laat zich nog niet uit over de vraag of er een gekozen burgemeester moet komen. Hij onderstreept dat voor de Staatscommissie de taak en niet de benoemingswijze van de burgemeester voorop staat.

De crisis van de lokale politiek is volgens de voorzitter van de Staatscommissie zo ernstig omdat ,,de lokale politiek de kurk is waarop het landelijke politieke systeem drijft''. Meer dan zeventig procent van de landelijke politici is lokaal begonnen. Wat de nationale overheid doet, krijgt vooral in gemeenten gestalte. En tegelijk is voor de burger het lokale bestuur een sterk referentiepunt voor zijn opvattingen over de nationale politiek.

Als de lokale democratie niet ingrijpend wordt versterkt, zullen landelijke partijen in de toekomst ,,alleen nog verkiezingsmachines zijn, zoals je in sommige andere landen al lang ziet'', vreest Elzinga. ,,Zonder een sterke lokale basis stort de partijpiramide in.''

Een interessante vernieuwing in politieke partijen neemt Elzinga waar bij de Socialistische Partij. ,,Daarvan opereren de vertegenwoordigers echt als volksvertegenwoordigers. Die zijn niet verbureaucratiseerd. Ze dienen niet over ieder wetsvoorstel een voorlopig verslag in, maar richten zich op de hoofdzaken. Ik denk dat de toekomst aan dergelijke partijen is.''

Politieke partijen hebben behoefte aan ,,modern leiderschap'', zegt Elzinga. De nieuwe leiders zijn ,,geen autoritaire types, maar mensen die overtuigen, die authentiek zijn''.

Ter illustratie noemt Elzinga enkele namen. Van oud-minister Winsemius: ,,Iemand die z'n nek uitstak, maar die ook bereid was verantwoordelijkheid te nemen.'' Van oud-premier Lubbers: ,,Fris en gedurfd in zijn beginjaren: er moest van alles gebeuren en hij pakte dat niet op een autoritaire manier aan.'' Van Paul Rosenmöller: ,,Er is bij hem geen grote afstand tussen wat hij vindt en wat hij uitdraagt.''

En premier Kok? ,,Dat is een beetje lastig. Kok vind ik heel goed in het proces, maar hij is minder authentiek. Bij Kok zit het meer in de degelijkheid en de rust die hij uitstraalt.''

LEZING via www.nrc.nl/Doc

    • Kees van der Malen