`Een slag in het gezicht van Indonesië'

De mogelijkheid van vreemde troepen op `vaderlandse' bodem, wekt in Indonesië heftige gevoelens. Nationale sentimenten die door het leger worden gevoed.

Een nationalistische reflex verkrampt het openbare leven in de Indonesische hoofdstad Jakarta. Het onder zware internationale druk genomen besluit van president B.J. Habibie afgelopen zondag om een vredesmacht van de Verenigde Naties `uit te nodigen' in de omstreden provincie Oost-Timor is door een breed spectrum aan politici en commentatoren met afschuw begroet. Een vreemde troepenmacht op Indonesische bodem – Oost-Timor wordt door velen nog altijd beschouwd als in Indonesie `geïntegreerd' gebied – wordt allerwegen beschreven als ,,een slag in het gezicht'' van Indonesië. Dagelijks demonstreren verschillende groepen voor de ambassades van de Verenigde Staten en vooral van Australië. Dat laatste land was een van de weinige die de annexatie van de voormalige Portugese kolonie door Jakarta in 1976 erkende. De gewijzigde houding van de regering in Canberra ten opzicht van de kwestie Oost-Timor en vooral de dreigende taal van de Australische premier Howard hebben de vriendschappelijke banden tussen beide buurlanden verstoord. Dat was in ieder geval het oordeel van legerwoordvoerder generaal Sudrajat gisteren. Hij voegde daaraan toe dat ,,de Indonesische regering en het Nationale Leger (TNI) de negatieve reactie van het publiek niet kan negeren''.

Een commentator vandaag in The Jakarta Post, Omar Halim, die in het verleden namens Indonesië dertig jaar voor de Verenigde Naties heeft gewerkt, gaf de mening weer van veel beschouwers: ,,De regering en het volk van Indonesië zullen de grote verliezers zijn.'' Halim beschuldigt de ontwikkelde, westerse wereld ervan niet oprecht te streven naar zelfbeschikking voor het volk van Oost-Timor. ,,Hun doel is om grote ontwikkelingslanden in kleinere stukken op te breken.'' Dezelfde commentator verwoordt ook een algemene angst als hij schrijft: ,,Laten we hopen dat we niet ook nog onze nationale soevereiniteit en trots verliezen''.

De Indonesische president behaalt overigens geen politieke winst uit de nationalistische golf die nu opwelt. Illustratief in dit verband was een anti-geweld demonstratie gisteren in Jakarta waarbij activisten spandoeken meedroegen met teksten als `Geef Habibie de schuld, niet het Indonesische volk'. President Habibie wordt in brede kring aangewezen als degene die de nationale schande over het land heeft afgeroepen, eerst door het referendum voor Oost-Timor voor te stellen, en nu door te zwichten voor de internationale druk om een VN-vredesmacht toe te staan. Geruchten dat hij in feite al is afgezet door generaal Wiranto, de chef staf en minister van Defensie, gonzen al dagen door Jakarta. Indonesië zou worden bestuurd door de legertop en een kleine groep ministers die sinds vorige week elke middag vergaderen.

Het Indonesische leger, met zijn steeds zelfbewuster optredende topofficieren, lijkt de enige organisatie die baat heeft bij de nationalistische sentimenten en deze ook welbewust voedt. In de nationale media maken legerwoordvoerders bezwaar tegen een Australische deelname aan de VN-vredesmacht. Maar vandaag zei minister van Buitenlandse Zaken Ali Alatas, vergezeld van hoge militairen, in New York tijdens besprekingen met de Veiligheidsraad, dat ,,Indonesië geen enkele voorwaarde'' stelt bij het toelaten van de buitenlandse soldaten in Oost-Timor.