De vrije markt

In NRC Handelsblad van 1 september toont Milton Friedman zich een ongecompliceerd aanhanger van een vrije markt. Terecht wijst hij op het cruciale verschil tussen communisme en kapitalisme nl. de particuliere eigendom. Deze is als de software waar de vrije markt op draait.

Zoals veel economen verdiept hij zich echter niet in de structuur en werking van dit basisprogramma. Hij vraagt zich niet af om welk soort eigendomsrecht het gaat en hoe dat de economie stuurt. Eigendomsrecht legt een juridische band tussen een persoon en een goed. Wat betekent hier `persoon'? Friedman stelt de retorische vraag: ,,Zijn de deelnemers (in de markt, R.) overheidsbureaucraten die handelen namens de staat? Of zijn het individuen die handelen namens zichzelf?''

In ons Westers eigendomsrecht is een `persoon' lang niet altijd een individu: het kan ook gaan om een firma, een gemeente of een multinational. Het maakt veel uit of je op de markt als individu een medemens tegenkomt of te maken hebt met een grote NV; het verschil is macht. Ook de term `goederen' kan van alles betekenen: als individu kan ik een volle tank benzine kopen, maar niet de hele Koninklijke Olie – wel een boek over atoomenergie, maar niet de rechten op het produceren van een atoombom; het verschil is machtsmiddel.

Net als in de communistische wereld is op de vrije markt iedereen gelijk, ,,maar zijn sommigen meer gelijk dan anderen''. Zo kent de Westerse wereld een zekere tweedeling zowel binnen de staten als tussen de staten onderling. Het gaat er daarbij om wie feitelijk toegang tot de markt heeft – en dat ligt geprogrammeerd in de structuur van ons Westerse eigendomsrecht. Dat werkt in de praktijk zo, dat een grote groep feitelijk geen en een middengroep slechts beperkt toegang heeft tot de geld- en kapitaalmarkt. De vrije markt van Friedman is daarmee slechts zeer beperkt vrij.