De bezem van Vondeling

Volgende week dinsdag – de derde dinsdag in september – is het Prinsjesdag, een dag die in vrijwel geen enkele bureau- of zakagenda onder de bijzondere dagen van het jaar vermeld wordt – laat staan onder de feest- en herdenkingsdagen. Wel de verjaardagen van de leden van het koninklijk huis (waaronder altijd weer die van leden van de koninklijke familie die geen lid zijn of meer zijn van het koninklijk huis), maar nooit de verjaardag van de democratie. De staatkundig-bevlogen voorzitter van de Tweede Kamer in de jaren zeventig Anne Vondeling heeft genoeg zijn didactische best gedaan om Prinsjesdag tot een Feest van de Democratie om te dopen, maar daar is hij nooit helemaal in geslaagd. Een enkele keer sprak Vondeling bij variatie ook wel eens over de Vlaggetjesdag van de Democratie om de nadruk te leggen op de feestelijkheid die wij, de staatsburgers, bij de opening van het nieuwe parlementaire jaar aan onszelf verplicht waren.

De van huis uit vrijzinnig-democratische Vondeling was van nature een geestdriftig man, maar tegen de derde dinsdag in september wilde zijn enthousiasme voor de politiek nog weleens overlopen. Dan voer er een staatkundige evangelisatiekoorts in hem die hem de straat op dreef om mensen op de komende, grote dag te wijzen. Troonrede: laat u niet de kans ontnemen om de regering te schrijven wat u van haar plannen vindt. Miljoenennota: Laat horen wat u ervan vindt! Vondeling heeft mij op zijn rondgangen weleens gevraagd hem te vergezellen omdat hij het bewijs wilde leveren dat `de burger' veel meer in de politiek geïnteresseerd was dan veelal werd aangenomen. De Drie hoera's voor de democratie! die hij aanhief (naar het gelijknamige, tamelijk sceptische boek van de Engelse auteur E.M. Forster), klonken nooit geforceerd. Ze rolden als vrolijke aanmoedigingen uit zijn mond, zoals alles wat hij over de democratie had aan te prijzen van een vrolijk elan was doortrokken.

Volgende week dinsdag luisteren koningin Beatrix en prins Claus weer het Feest van de Democratie op met hun aanwezigheid, Beatrix om de troonrede voor te lezen, Claus om volgens oud gebruik naast zijn vrouw te zitten. Zou het jaar 2000 niet een mooi moment zijn om het staatkundige theater dat elk jaar in de Ridderzaal wordt opgevoerd eens te restylen? Waarom zouden we de rolverdeling niet eens veranderen en voor wat variatie zorgen? Bijvoorbeeld, door ook prins Claus de troonrede te laten voorlezen. De prins der Nederlanden heeft een sonore stem, die een bereik heeft tot achterin de Ridderzaal en hij weet bij alles wat hij zegt ook nog waar hij het over heeft. In de grondwet is geen enkele constitutionele bepaling te vinden die zich tegen een dergelijke herverdeling van rollen verzet. Het zou een verfrissende verandering zijn om de troonrede beurtelings het ene jaar door de koningin, het andere jaar door haar man te laten lezen. Zo'n variatie zou een natuurlijke overgang kunnen zijn naar een algehele renovatie, die op de lange duur toch onvermijdelijk is en naar ik denk niet al te lang op zich zal laten wachten. Het ligt immers in de verwachting dat de politiek de voordracht van de troonrede bij de troonswisseling overneemt en dat de minister-president de troonrede van dat moment af voorleest om aldus zijn politieke verantwoordelijkheid voor de regeringsplannen sterker te benadrukken.

Laat niemand denken dat met zo'n verandering een hoeksteen onder de staatsorde wordt weggetrokken. De traditionele mise-en-scène is niet ouder dan dertig jaar en berust op een eerdere renovatie die tegen het einde van de jaren zestig een radicaal eind maakte aan de dominante positie van de hofhouding bij de opening van het parlementaire jaar. Vóór die tijd werd de koningin op het podium omringd door haar hofhouding, die de troon door haar massale aanwezigheid aan het oog van een deel van de volksvertegenwoordiging onttrok. Hofmaarschalk, opperceremoniemeester en andere hofmeiers omzoomden in hun doodbidderspakken het spreekgestoelte en drongen elkaar half van het podium. Het zou een instructieve aanschouwelijke les in staatsinrichting zijn geweest – als het er niet te dik had opgelegen!

In 1969 werd dat decor na een grote schoonmaak ingrijpend verbouwd. Naast de troon stonden ineens niet meer de grote zetels waarop totdantoe prins Bernhard en zijn dochters tijdens de ceremonie hadden gezeten, gesecondeerd door hofdames en andere gedienstigen die al die tijd deels achter, deel tussen de stoelen hadden moeten staan. De Rijksvoorlichtingsdienst deelde vroom mee dat de zaken opnieuw waren gearrangeerd, ,,in overeenstemming met de wens van koningin Juliana''. Strikt genomen was die formulering niet onjuist, maar de koningin had die wens niet zelf bedacht. Als het haar wens was geweest zich in de Ridderzaal van de hofhouding te ontdoen, had ze die verandering al bij haar troonopvolging in 1948 kunnen invoeren. Ze deed het pas in `69 omdat haar hele santenkraam onder vuur was komen liggen en voor het eerst ernstig gekritiseerd was door dr. Anne Vondeling, die zich al jaren ergerde aan het gevoel op het Feest van de Democratie bij de hofhouding te gast te zijn. Het was Vondelings idee om het parlement weer baas in eigen huis te maken en Prinsjesdag – de opening van het nieuwe parlementaire jaar – te ontdoen van versieringen en ornamenten die, zoals hij het motiveerde, een verkeerd beeld van de democratie gaven. In zijn in het voorjaar van 1969 verschenen boek Nasmaak en Voorproef leverde hij een krachtig pleidooi voor een modernisering van Prinsjesdag, die neerkwam op de aansporing de hofhouding in de teugels en achter de coulissen te houden. Als we nu toch de bezem door de Ridderzaal halen, redeneerde hij, laat dan ook de volksvertegenwoordiging voortaan de regie over haar eigen jaarlijkse feest voeren. Aldus geschiedde. De koningin werd niet meer door de hofhouding in de Ridderzaal ontvangen en binnengeleid, maar door een commissie uit de Kamers. Het was dus niet op wens van de koningin, maar door een banvloek van het non-conformistische Kamerlid Anne Vondeling dat de hofhouding uit de Ridderzaal verwijderd werd.