De basisvorming in het onderwijs is niet mislukt

De basisvorming in het onderwijs is mislukt, viel recentelijk in verschillende kranten te lezen. Maar wie dat beweert, debiteert volgens J.W.H. de Vries flauwekul. Voor conclusies over de effecten van de basisvorming is het veel te vroeg. Er is nu allereerst geduld nodig.

De basisvorming is na veel gesteggel in 1993 ingevoerd. Nu is onderzocht wat in het schooljaar 1996-1997 van een forse groep leerlingen geworden is. Die gegevens zijn vergeleken met een groep leerlingen die in 1989 is begonnen. Wanneer wordt gekeken naar de gegevens betreffende zittenblijven en uitval dan blijkt dat van de groep uit 1989 73 procent in de reguliere tijd in klas 4 terechtkwam. Voor de groep uit 1993 was dat 81 procent.

Wordt gekeken naar de afkomst van de leerlingen dan blijkt dat het percentage 4e-klassers van Nederlandse afkomst is gegroeid van 75 naar 82. Voor de kinderen van allochtone ouders groeide dat percentage van 59 naar 70 procent. Bekijken we de opleiding van de ouders, dan zien we dat het percentage 4e-klassers van ouders, die alleen lager onderwijs hebben genoten, groeit van 66 naar 76 procent. Bij de ouders met een wetenschappelijke opleiding groeit het percentage van 80 naar 88 procent.

Daarom zijn beweringen als zou de basisvorming mislukt zijn betreurenswaardig en dragen er niet toe bij dat zaken snel zullen verbeteren. De afgelopen jaren heeft de politiek er alles aan gedaan om docenten te demotiveren. Er werd vernieuwing op vernieuwing gestapeld en er werd even hard geroepen dat er geen of bijna geen geld was om de vernieuwing voldoende gestalte te doen geven. Er moest worden gefuseerd om efficiënt met de beschikbare middelen om te gaan. Geld voor redelijke salarissen ontbrak.

Uit bovengenoemde percentages mag niet worden geconcludeerd `dat het zonder meer goed komt'. Want de invoering van de basisvorming is namelijk nog lang niet af. De onderwijs-leervormen zijn nog niet voldoende ontwikkeld. De klassen zijn nog niet heterogeen samengesteld en het onderwijzend personeel is nog onvoldoende getraind om basisvorming te geven. Dus wordt, zo goed en zo kwaad als het kan, voortgemodderd. Het betekent dat de docenten de werkdruk als onevenredig zwaar ervaren. Het zal er tevens toe leiden dat onderwijsgevenden waar mogelijk zekerheid zullen gaan zoeken in vertrouwde werkvormen, waarvan ze weten dat ze daarmee in het verleden goede resultaten hebben bereikt. Dat kan weer frustraties oproepen omdat idealen of doelen niet worden bereikt.

Toch zijn er zeker mogelijkheden om te zorgen dat het goed komt met de volledige invoering van de basisvorming. Ten departemente is het besef doorgedrongen dat bij de invoering van iets nieuws een procesmatige aanpak wenselijk is. Bij de invoering van de Mammoetwet werden scholen nauwelijks begeleid. Nu is er een Procesmanagementclub ingesteld die allerlei vernieuwingen moet begeleiden. Niet uit het oog mag worden verloren dat de politiek nog twee andere vernieuwingen op het bordje van de scholen heeft gelegd: het studiehuis en de omvorming van VBO/MAVO. De scholen hebben dus de handen al vol.

Op zich is het een goede zaak dat de vernieuwingen zijn doorgevoerd. De beslissing het onderwijs zo in te richten dat de leerlingen op alle niveaus veel meer zelf aan de slag moeten, is uitstekend. Nu die beslissing is gevallen, weet ieder waar hij aan toe is. Voor het realiseren van de vernieuwingen zijn twee voorwaarden essentieel.

In de eerste plaats zal geduld moeten worden betracht. Mensen die vijfentwintig jaar op een bepaalde manier hebben lesgegeven, staan niet van de ene dag op de andere als de ideale basisvormingsdocent voor de klas. De lerarenopleidingen moeten er wel op zijn ingericht dat de nieuwe docenten dat ideaal sterk benaderen. De nascholing van de huidige docenten moet er op zijn gericht dat zij het vertrouwen krijgen ook in heterogene groepen goed te kunnen functioneren. Bovendien moet er geschoold worden in het integreren van de vijftien vakken tot een beperkter aantal zinvolle combinaties opdat de leerlingen meer eenheid in het dagelijks werk ervaren. De docent zal niet meer het gevoel moeten hebben dat hij alle facetten moet beheersen. Aldus wordt de werkdruk minder.

In de tweede plaats moet de politiek geen slappe knieën hebben. Er is een besluit gevallen en dat moet worden uitgevoerd. Steeds veranderen, wanneer een paar mensen roepen dat iets niet kan of niet lukt, geeft een verkeerd signaal. Als de invoering is voltooid, kan altijd nog worden bezien of verbeteringen moeten worden aangebracht – waarschijnlijk wel.

Wanneer je als overheid sterk in je schoenen staat, ga je het overleg aan met de besturenbonden. Daarmee maak je de afspraak dat iedere school in een stappenplan met concrete doelen aangeeft hoe de invoering van de verschillende vernieuwingen plaatsvindt. In dat stappenplan zit ook een tijdschema. Het is voorstelbaar dat een school met nu homogene klassen zegt dat over twee jaar zogeheten dakpanklassen zijn ingevoerd: VBO-MAVO, MAVO-HAVO, HAVO-VWO. Vervolgens wordt na drie jaar heterogeen gewerkt en kan in principe het doel in vijf jaar bereikt zijn. De school weet waaraan de nascholingsgelden bij voorkeur besteed kunnen worden en het docentencorps heeft een duidelijk doel. De school heeft zich vastgelegd en de inspectie weet waarnaar men kan kijken. Uiteindelijk kan er zelfs een sanctie worden afgesproken, als een school zich niet aan de afspraken zou houden.

Maar ook daarbij moet geduld worden beoefend. Wanneer men achterdochtig is, heeft men al gauw de neiging sabotage te veronderstellen omdat een bepaald doel niet is bereikt. Maar dat is een miskenning van de integriteit van de meeste onderwijsmensen die zich blijven inzetten voor beter onderwijs, omdat ze de kinderen met wie ze dagelijks omgaan zo goed mogelijk vooruit willen helpen.

Geduld betekent hier dat – wanneer een bepaald doel niet tijdig is bereikt – het eerste jaar niet wordt gekort op de subsidie. Daarna zou zo'n korting wel toegepast kunnen worden en blijft het geld een periode – bijvoorbeeld drie jaar – beschikbaar tot het doel is bereikt. Mocht dat na die periode nog niet het geval zijn, dan zou overwogen kunnen worden het geld weer aan de algemene middelen toe te voegen.

Maar naast straffen zouden stimulerende maatregelen jegens docenten gewenst zijn. De nascholingsgelden zijn zo'n maatregel. Het zou scholen mogelijk gemaakt moeten worden docenten geheel of gedeeltelijk `vrij' te roosteren om de invoering en scholing grondig aan te pakken. Dat kan door de gemiddelde lestaak van docenten flink omlaag te brengen, zonder meteen vast te leggen dat alle docenten dus niet meer dan dat gemiddelde aan lessen mogen geven. Hoewel het tekort aan docenten zal groeien wanneer de gemiddelde lestaak wordt verminderd, zal toch in deze richting naar een oplossing moeten worden gezocht. Wanneer docenten minder snel uitgeblust raken, zal dit op termijn een gunstige uitwerking hebben op het imago van de beroepsgroep en zullen weer meer mensen belangstelling voor het vak krijgen.

J.W.H. de Vries is oud-rector van het katholiek Drents College in Emmen.