Bladeren

DIE WOCHE

De Duitsers worden steeds rijker. Vorig jaar groeide hun geldelijke vermogen met 321 miljard mark tot 5,7 biljoen mark. Als je de waarde van onroerend goed meerekent, plus die van auto's, huisraad en andere snuisterijen, dan komt de gezamenlijke rijkdom uit op 14,7 biljoen mark. Als je daar 1,9 biljoen mark aan schulden aftrekt, dan resteert een bezit van 12,8 biljoen mark (elf nullen). Dat is per huishouden 389.000 mark, zo schrijft Die Woche op gezag van het Duitse Instituut voor Ecnomisch Onderzoek.

Maar die rijkdom is niet voor iedereen, want in het westen van Duitsland beschikt de helft van de huishoudens over elf procent van het totale vermogen. In het oosten van het land bezit de helft van de huishoudens vijftien procent van het totaal. Twee miljoen Duitse huishoudens bezit niets behalve schulden. Daarnaast zit een kwart van het gezamenlijke bezit opeengehoopt bij vijf procent van de huishoudens.

Sinds de hereniging kan Duitsland zich qua rijkdom niet meer meten met de Zwitsers, de Amerikanen en de Japanners. Omdat de Duitsers in het oosten relatief weinig verdienen en bezitten is Duitsland teruggezakt naar het niveau van Frankrijk en Italië, zij het dat de Duitsers in het oosten sinds 1990 al een flink stuk achterstand hebben ingelopen.

Rijkdom en armoede zijn relatieve begrippen. Een gangbare, maar omstreden definitie is dat de armoede begint bij een niveau dat net wat lager ligt dan het gemiddelde inkomen. Onder die definitie vallen in ieder geval de bijstandontvangers. Rijk is volgens het blad iedereen die minimaal twee keer zoveel verdient als het gemiddelde inkomen. In Duitsland ben je dus rijk als je per maand tienduizend mark verdient. Dat zijn in Duitsland 1,7 miljoen huishoudens. In vergelijking met de armen in Afrika is elke Duitser rijk, ook als hij geen inkomen uit arbeid heeft, want zijn rechten op allerlei soorten zorg en zekerheid zijn meer dan een miljoen mark waard.

Die Woche is verkrijgbaar in de kiosk.

www.woche.de

LE MONDE DIPLOMATIQUE

De Europese Unie heeft vijftig tot zeventig miljoen armen, afhankelijk van de definitie van armoede. Het gaat niet alleen om victoriaanse ellende, maar ook en veel meer om de voortgaande vernietiging van bestaande banden tussen individuen en de samenleving waar ze bij horen. In Frankrijk, meent Le Monde Diplomatique, neemt dit probleem een centrale plaats in, maar in Duitsland is het naar het tweede plan verdwenen, hoewel het land wel trouw blijft aan het eigen sociale model. In Engeland, waar de sociale discussie het oudst is, worden zij die bijstand behoeven schuldig verklaard aan hun toestand.

De economische consensus heeft de politieke reflectie verlamd, en de discussie is versmald tot het begrip uitsluiting. Het wordt tijd dat het denken over de nieuwe armoede de economie weer op haar juiste plaats zet. Mondiaal leeft een miljard mensen in absolute armoede. Europa telt 18 miljoen geregistreerde werklozen, dat is elf procent van de actieve bevolking. De helft daarvan was vorig jaar langer dan een jaar werkloos.

Het blad meent op gezag van de socioloog Pierre Bourdieu dat het moderne liberalisme en de staat elkaar aanvullen. Samen hebben ze een sfeer doen ontstaan waarin iedereen die zijn kans niet grijpt in `een competitief Europa' niet meer meetelt. Met andere woorden, de armen zijn verantwoordelijk voor hun eigen lot. Het idee hen aan hun lot over te laten sluit naadloos aan bij het Anglo-Amerikaanse begrip van `empowerment', dat geen rekening houdt met de toestand waarin de armen verkeren. Het blad bestempelt dit denken in navolging van de Nobelprijswinnaar economie Amartya Sen als `wreedheid' omdat de slachtoffers een individuele verantwoordelijkheid krijgen toegeschoven terwijl het voor sommige groepen werkers gewoon onmogelijk is om werk te vinden.

Le Monde Diplomatique is verkrijgbaar in de kiosk.

THE ECONOMIST

De vrijheid om arm te zijn is een van de vele onderwerpen die The Economist aan de orde stelt in een special die gewijd is aan de verworvenheden van de twintigste eeuw. Eén ervan is dat de kloof tussen rijke en arme landen veel groter is geworden. In 1870 was het inkomen per hoofd van de bevolking in de rijkste landen negen keer zo groot als dat in de armste landen. In 1990 was het inkomen per hoofd in de Verenigde Staten 45 keer zo groot als dat in Ethiopië.

De meeste antwoorden op de vraag waarom de arme landen steeds verder achteropraken zijn in essentie tautologieën, meent het blad. Het antwoord ligt veeleer in de mate van vrijheid in de betrokken landen, zo blijkt uit jaarlijks onderzoek van elf economische denktanks. Het onderzoek strekt zich uit over honderd landen en maakt gebruik van drieëntwintig criteria. Daaruit blijkt klip en klaar: hoe groter de economische vrijheid, des te hoger de groei is en des te rijker de mensen zijn.

De landen die achterblijven zijn verdeeld in twee groepen. De een is een groep landen waar geen overheid functioneert als gevolg van anarchie, burgeroorlog, of oorlog. Dat is meestal het geval in de Afrikaanse landen. De tweede groep bestaat uit landen waar de overheid er voor kiest geen economische en politieke vrijheid te geven aan de onderdanen, zoals bijvoorbeeld India. Maar hoe je het ook wendt of keert, de mensen in de rijke landen maken zich meer zorgen over het rijker worden van de armen dan over hun armoede, omdat ze denken dat de economische groei in de arme landen ten koste gaat van het milieu. Ten onrechte, meent The Economist, want het milieu is er het beste aan toe in de landen waar de economie deze eeuw het snelst is gegroeid.

The Economist is verkrijgbaar in de kiosk.

www.economist.com