Strijd ontbreekt bij `Tenor Battle'

`Tenor Battles' zijn uit de mode, bleek vrijdag nog eens in het Concertgebouw waar de saxofonisten Johhny Griffin, Joe Lovano en James Carter voornamelijk los van elkaar op het podium stonden. En traden ze even wel samen op, alle drie gewapend met een tenorsax, dan was er weinig sprake van strijd omdat Carter ver uitstak boven de andere twee, wat betreft kracht, puntigheid en vooral présence.

Het gemakkelijkst won Carter het van Johnny Griffin, bij wie de jaren beginnen te tellen. Met de arrangementen van Henk Meutgeert had Griffin hoorbaar weinig voeling en verder wreekte zich het feit dat deze `fastest gun in town' vooral langzame stukken had aangedragen. Bij saxofonisten met een dijk van een toon is zoiets geen enkel bezwaar. Maar Griffin heeft het altijd gezocht in licht en dun omdat je dan immers meer snelheid kunt maken, net als in de autoracerij. Dat Sjoerd Dijkhuizen, de vaste tenorist van het jonge Jazz Orchestra of the Concertgebouw, zich duidelijk inhield toen hij met Griffin `vier-om-viertjes' speelde was heel sierlijk en sociaal. Maar het onderstreepte de teloorgang van de `little giant', zoals Griffin in zijn gloriejaren werd genoemd.

Is Griffins geluid hoe dan ook herkenbaar, het spel van Lovano heeft iets anoniems, vooral als hij er met zijn hoofd niet helemaal bij is, zoals nu het geval leek. Zijn bijdrage op sopraansax grensde aan het valse en op tenorsax had hij iets mats, net als de laklaag van zijn instrument.

Bij James Carter, verreweg de jongste van de drie (30), was het een en al vuurwerk. Zijn springerige opkomst in een bijna clownesk kostuum, zijn knallende accenten in Shotgun Wedding en zijn machtige lezing van Duke Ellingtons Praise God op baritonsax, het was allemaal heel overtuigend. In de ballad Black Coffee, die hij op sopraan speelde, combineerde hij een vibrato dat aan Sidney Bechet doet denken met technieken uit de `free jazz' van de jaren zestig. Hij laat zijn instrument knorren, kakelen, klakken en krijsen maar komt, zoals bandleider Henk Meutgeert het heeft voorzien, keurig gelijk uit met het orkest. En dat alles met het uitgelaten air van een kind dat net heeft leren fietsen: `kijk mama, zonder handen'.

Het is dan ook vooral aan James Carter te danken dat het in de toegift Wee toch nog spannend werd. Een echte `battle' was het weliswaar niet, daarvoor waren de partijen te ongelijk, maar er onstond in elk geval iets dat in het voetbal een `cupsfeertje' heet. Zet hem op, James, bewijs dat de echte jazz nog niet verloren is!

Concert: Johnny Griffin, Joe Lovano en James Carter (saxofoons);Jazzorkest van het Concertgebouw. Gehoord: 10/9 Concertgebouw, Amsterdam.