Stap naar vrede

HET WAS HET WEEKEINDE van de ommekeer. En niet alleen van president Habibie die, na een stroom van verwijten te hebben moeten incasseren, besloot dat een internationale vredesmacht toch maar tot Oost-Timor moest worden toegelaten. Die stroom kwam op gang nadat de wereldleiders een week lang of hun mond stijf dicht hadden gehouden of terughoudende signalen hadden afgegeven. Twee bijeenkomsten hebben een verschil gemaakt: de top van APEC, de Aziatisch-Pacific Economische Samenwerking, in Auckland, Nieuw Zeeland, en de speciale openbare zitting van de Veiligheidsraad in New York. Het APEC-forum gaf president Clinton de gelegenheid lucht te geven aan zijn ergernis over Jakarta. In de Veiligheidsraad bleek hoezeer Indonesië geïsoleerd was geraakt.

Met de toezegging van Habibie zijn de problemen niet uit de wereld. Vragen hoe snel een vredesmacht ter plaatse kan zijn, welke landen daaraan deelnemen, hoe de verhouding zal zijn tot de in Oost-Timor aanwezige Indonesische strijdkrachten en, beslissend, of de pro-Indonesische milities kunnen worden ontwapend, dringen zich op. Is de Indonesische regering te goeder trouw, en, als zij dat al is, heeft zij de strijdkrachten onder controle? Vragen die logischerwijs voortvloeien uit de anarchie die Jakarta de afgelopen weken in Oost-Timor heeft laten ontstaan dan wel heeft bevorderd. Een andere vraag is: waar is de bevolking gebleven? Een deel is omgebracht, een deel is de bergen ingevlucht en een deel is op transport gesteld naar West-Timor of andere Indonesische eilanden. Kan de terugkeer van de overlevenden worden geregeld naar een gebied dat grotendeels is verwoest?

Als het al van een onafhankelijk Oost-Timor komt, zal het voor de nieuwe staat nog veel moeilijker zijn zich te ontwikkelen dan het zonder de brandschatting van de voorbije dagen al zou zijn geweest. Op de dag van het referendum was er, ondanks al het geweld in de voorbije vierentwintig jaar, nog sprake van een functionerende samenleving. Die bestaat nu niet meer. Het zal van de Oost-Timorezen een bovenmenselijke inspanning en motivatie vergen om, omgeven als zij zijn door een intrinsiek vijandige staat, een nieuw begin te maken. De knieval van Indonesië voor internationale druk geeft op langere termijn dan ook nauwelijks reden voor optimisme.

HET IS TOEVAL dat Nederland tijdens de climax van het debacle in Oost-Timor de voorzitterszetel bezet in de Veiligheidsraad. Wars van de gevoeligheden die historisch de Indonesisch-Nederlandse betrekkingen belasten, heeft ons land zijn bijzondere taak naar behoren vervuld. Optimaal voert de voorzitter de Raad naar een punt waar hij een crisis doorbreekt, zelfs als de leden huiverig zijn om zich in die crisis te mengen. Dat is precies wat Nederland is gelukt. Een missie namens de Raad naar Jakarta, en vervolgens naar Oost-Timor zelf, alsmede een openbare veroordeling van het Indonesische optreden terwijl de missie zich nog in het land bevond – het was een kundig geregisseerde combinatie die het verschil maakte tussen schuldige passiviteit en alerte beïnvloeding. Ook al ligt de terugkeer van orde en rust op het eiland nog in het verschiet, er is dit weekeinde een begin gemaakt. De Nederlandse diplomatie leverde daartoe haar aandeel.