Moord op een cultuur

September en daar heb je ze weer: de bestuurderen, de synergeten, de derdegeldstromers, de academiehaters, de bureaucraten, de hervormers, de no-nonsense types in pakken van Hugo Boss, kortom degenen die bij het begin van het academisch jaar weer eens mogen komen vertellen dat de universiteit goedkoper, sneller en efficiënter kan. Maar dit jaar kwamen ze met een nieuw en ondanks alles toch nog verrassend geluid: de universiteit kan wel weg. `De academie is niet meer' stond boven het stuk in de Volkskrant van Frans Leijnse, voorzitter van de Vereniging van Hogescholen HBO-raad en hoogleraar bedrijfskunde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Hij droomde in zijn rede bij de opening van het academisch jaar aan de Katholieke Universiteit van Nijmegen wat door op het besluit van minister Hermans om toe te staan dat universiteiten en hogescholen gaan fuseren. Wat hem betreft was dit maar een begin. De waarschuwing van minister Hermans dat de scheiding tussen beide soorten onderwijs inhoudelijk beslist moet blijven bestaan, leek hem zo te lezen een laatste stuiptrekking. Daar zou hij wel eens gelijk in kunnen hebben.

Binnenkort, zo schrijft Leijnse, gaan HBO en universiteit geheel in elkaar op. ,,Dit betekent niet dat er geen niveauverschil meer zou zijn tussen HBO en WO. Wel bewijst het [`het' is de door hem weergegeven bestaande praktijk, MdV] dat dit verschil niet meer van principiële aard is (-), maar gradueel.''

Het zal er allemaal alleen maar interessanter op worden, voorspelt Leijnse. Nieuwe combinaties van theoretische en meer toegepaste vakken, `studiepakketten' die meer kunnen worden `toegesneden' op individuele interesses, het woord `maatwerk' is het enige dat ontbreekt. Dit ook allemaal met de suggestie dat het beter is als een en ander wordt toegesneden, en minder goed als het aanbod breed is en men daarin leert zien wat de individuele interesses eigenlijk zijn. Wie weet nu dat hij gefascineerd zal raken door het gebruik van de metafoor, door de eerste Germaanse klankverschuiving of door econometrie zolang hij er niet mee in aanraking is geweest? Maar over zulke dingen heeft Leijnse het niet. Hij denkt dat een titel het belangrijkste is dat een opleiding oplevert en meent serieus dat het wetenschappelijk onderzoek enorm zal profiteren van de `toepassingsgerichtheid' van de hogescholen.

De Universiteit van Amsterdam zal als eerste van de nieuwe fusiemogelijkheden gebruik maken door samen te gaan met de Hogeschool van Amsterdam, en men verwacht daar niets dan voordelen van, al wil de voorzitter van het College van Bestuur nog niet zo ver gaan als Leijnse en de academie maar helemaal afschaffen.

Ook het hoofdredactioneel commentaar van deze krant lijkt er wel iets in te zien: zoals het vroeger was (voor die toestand wordt het woord `romantisch' gebruikt) wordt het toch niet meer en bovendien zal dit alles bezuinigingen opleveren. Dat laatste lijkt mij de kurk waar deze hele operatie op drijft, want als er iets is waar de laatste tien jaar energie in is gestoken dan is het wel in bezuinigingen in het wetenschappelijk onderwijs en onderzoek.

Gelukkig ziet dat commentaar ook nog wel enkele bezwaren, voornamelijk daar waar het wetenschappelijk niveau van de universiteiten bedreigd wordt, ,,in een samenleving waar fundamenteel onderzoek meer en meer de basis is voor economische ontwikkeling zonder dat het rendement van tevoren vaststaat.'' Als je het niet dacht. Alles is economie en economie is alles. Nog mooi dat men toegeeft dat het rendement niet altijd van tevoren vaststaat. En pech voor de alfavakken die weinig bijdragen aan `economische ontwikkeling'. Doet veel wiskunde trouwens evenmin.

Het is wel eens verbazend, om niet te zeggen schokkend, hoe weinig conservatisme er in het onderwijsbeleid aan de dag wordt gelegd. Natuurlijk mag er wel eens iets veranderen, alles wat leeft verandert, ontwikkelt zich, verliest en wint, maar het is toch zaak te houden wat goed was, de ontwikkelingen niet zo snel te laten gaan dat het geen ontwikkelingen meer zijn maar noodsprongen, om tradities te bewaren en ze niet bij de eerste de beste gelegenheid achterhaald te verklaren.

In zijn afscheidscollege als hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde in Nijmegen hield Kees Fens een pleidooi voor het langzame haasten, voor vernieuwing met besef van het oude, voor duur, voor vragen. Maar hij wist ook wel dat dat alles niet erg hot is: ,,Buiten onze muren heerst de taal van het antwoord en dat is de betaling. En dat woord heeft dezelfde betekenis gekregen als bezuiniging. De genadeloosheid waarmee dat gebeurt, wijst erop hoe weinig vragen men zich in de politiek stelt. In sommige bestuurscolleges vaak niet meer. Geest is niet te koop, maar wel van de hand te doen.''

Het is eigenaardig dat er bij het begin van het academisch jaar nooit eens gesproken wordt over tijd en aandacht als te koesteren fenomenen binnen de universiteit. Het gaat altijd over tempo en geld, alsof de bestuurders niet weten wat ze toch zouden moeten weten, dat er nimmer enig belangwekkend wetenschappelijk resultaat is geboekt door maximaal op tijd en geld te bezuinigen. En ook voor studenten heeft het geen zin om in zo kort mogelijke tijd zoveel mogelijk stof door te werken en daar zo min mogelijk over te kunnen nadenken. Dat heeft met studeren erg weinig te maken. Studeren betekent lang aandacht aan iets besteden, dagen op de bibliotheek, slingerwegen, onverwachte uitzichten – niet het zo snel mogelijk erin stampen van verplichte tentamenstof. Studeren heeft te maken met verdieping, contemplatie, rust. Maar dat heet nu `romantisch'.

Hoogleraar fysische materiaalkunde in Delft prof.dr.ir. A. van den Beukel gaf als zijn overtuiging in zijn afscheidsrede ,,dat het de hoofdopgave van een echte universiteit is om afstand te nemen van de problemen van alledag, en vooral van de waan van de dag, en om vrij, onafhankelijk, diep en kritisch na te denken. En dat het hoofddoel van het universitaire onderwijs is, niet in de eerste plaats om studenten allerlei trucjes en techniekjes bij te brengen, zogenaamde vaardigheden, maar om ze in te wijden in de kunst van het vrij, onafhankelijk, diep en kritisch nadenken. Kortom: om studenten te vormen, niet om ze af te richten.'

Dat niet alle studenten daar geschikt voor zijn spreekt vanzelf, maar dat is geen reden om het ideaal los te laten. Er klinken nu allerwegen lamlendige geluiden die neerkomen op `ach het is nu eenmaal zo', `het is niet meer tegen te houden' of `je kunt beter blijven meedenken'. Zo zakken alle belangrijke waarden weg en praat iedereen alleen nog maar over studiepunten, aantallen studenten en fte's, zo komen studieprogramma's jaren van tevoren tot op het uur vast te liggen en bestaat er geen enkele ruimte meer voor eigen invulling van het curriculum noch door de studenten, noch door de docenten. De universiteit is bezig te veranderen in een brave onderwijsfabriek en heel veel van wat eeuwenlang bewaard is gebleven, allerlei eigenaardige, mooie, tijdrovende, nutteloze kennis, wordt verwezen naar de vrije tijd, wat bijna hetzelfde betekent als naar de prullenbak. Het is moord op een cultuur die we hier zien, en het eigenaardigste is dat juist degenen die in besturen van universiteiten zitten daar zo blijmoedig aan meewerken. Ik had eens een slager die zijn zaak `De lachende lendelap' had genoemd. Misschien kan het nieuwe gefuseerde instituut in Amsterdam die naam overnemen. Blij dat men geslacht is.