Gaudeamus Prijs toegekend aan Van der Aa

Michel van der Aa (1970) kreeg gisteren in het Amsterdamse Felix Meritis de Gaudeamus Prijs van 10.000 gulden voor het schrijven van een nieuwe compositie voor de Gaudeamus Week 2000. Het was als slot van het concours voor jonge componisten de beloning voor het hier al besproken Between van Van der Aa (1970) voor slagwerkensemble. Unaniem was de jury (Ron Ford, Martijn Padding, Michel Redolfi en Michael Smetaninwas) ook in de speciale vermelding voor Zhan Zidu voor strijkers en klein slagwerk van de Chinese Leilei Tian (1971).

Voor de meeste componisten is muziek een taal, een communicatiemiddel bij uitstek. Voor anderen, zoals Van der Aa, is het meer een superieur soort spel. Daarnaast is er de vaak in schoonheid stervende cult of the beautiful van Leilei Tian. Verder zijn er ruige cross-overs die al even eenzijdig mikken op de fysieke component. Zo maken Donnacha Dennehy en Sam Hayden geen onderscheid tussen hoge en lage kunst. Hoe je al die categorieën kunt vergelijken is een raadsel. Walter Maas, de stichter van Gaudeamus, beweerde dan ook dat voor kwaliteit in de kunst geen duimstok bestaat, de beoordeling zal altijd subjectief zijn. Nu bleek een verscheidenheid aan stijlen die in de begintijd van Gaudeamus absoluut ontbrak.

Een typisch Gaudeamusstuk waarin het operationeel model veel meer telt dan welke uitkomst ook, vond ik Rudo de l'âme van de Spaanse IRCAM-exponent Pablo Arcent (1968), die Paradiso geheel in klank wist dicht te metselen. Voor Gérard Grisey, de meest consequente van de Franse spectralisten en zeker ook voor Emmanuel Nunes, bij wie Arcent studeerde, is muziek geen taal, maar een uiting van orde en architectuur. Het verschil is dat beiden een beroep doen op sterk bezette symfonieorkesten, waar Arcent genoeg heeft aan slechts vijftien ruimtelijk opgestelde musici naast een zelfgebouwde computer. In Ruis van de ziel (prachttitel!) zijn vensters uitgespaard waar de muziek steeds dunner wordt, zoals bij een piccolo-solo en een dansende rij losjes opgehangen triangels. Die te spaarzame momenten vond ik het sterkst.

Welk een verschil vormde dit met het concert in de Beurs van Berlage! In Shattered Night, Shivering Stars van de Canadese Alexina Louise kon ik me nacht en sterren wel voorstellen. Maar shattered (uiteenbarsten) of shivering (rillend)? Of nemen we de al genoemde compositie van Leilei Tian, een Chinese die nu in Göteborg studeert. Het spookachtig oud-Chinees verhaal The punishment of Zidu inspireerde haar tot een soort symfonisch gedicht, dat begint met een klacht van de altviool achterin de zaal en dat zich voortzet in een weelderig welluidend wenen in de violen rondom het publiek met aan het eind een flard van een flard van een beeldschoon volkslied. Goed gemaakt ongetwijfeld, maar wat moest ik aan met dit `punishment'?

Het kon nog veel en veel bleker, zoals bij de Gavin Bryars-adept Bryn Harrison: zeeziek werd je van al die golfbewegingen. Ook de Fin Uljas Pulkkis (1975), zij het stoerder met een Beethovenmotief in de pauken binnen een spectrale muziek, grossierde in continue bewegingen omhoog en omlaag. Dit moest wel uitlopen in Tryptich-Crucifixion van de Zwitser Nadir Vassena (1970), die één glinstering van golven uitcomponeerde, benevens van stenen die het lichaam binnendringen wat tot verstikking leidt. Het is ook opgedragen aan alle mariniers die schipbreuk leden. Geen slechte compositie overigens: rond een ruw geborstelde vioolsolo, schitterend gespeeld door Daniel Rowland, staat een intiem ensemble van fluit, klarinet, cello en piano. Net als Arcent heeft Vassena aan weinig genoeg. Na een rapsodisch eerste deel volgt een mechanisch tweede, dat uitmondt in een verzonken diafano et lontano. Het kon nog subtieler, zoals in Ondine van Tiziano Manca, maar dat is dan afgekeken van de schimmige ruisstijl van Salvatore Sciarrino.

Kleurgevoeligheid speelde een grote rol. Zo goochelt Toek Numans in consequent cirkelende bewegingen in Il giocoliere Errante voor kamerensemble virtuoos-mechanisch en betogend geagiteerd. Hij leek mij een kanshebber voor de Gaudeamus Prijs, al is het middendeel iets te bleek uitgesponnen.

Der Einsame im Herbst van Robin de Raaff heeft daarentegen niets speels, compromisloos onderworpen als het is aan de Schönbergschool, koud en krakend: verre van hedonistisch, fascinerend het uitgebeende slot.

Het laatste werk dat in aanmerking kwam voor de prijs was van de Australiër Damien Ricketson (1973). Zijn Ptolemy's Onion voor basfluit en elektrisch stijkkwartet dat behandeld wordt als één compacte golvende klankmassa, herinnerde aan het wat overspannen continue geluid van de didgeridu. Ricketson speelde viool, tabla en didgeridu in het wereldmuziek-ensemble The Sea Gypsies. Zigeuners op de zwalkende zee: dat had het motto kunnen zijn van deze Gaudeamus Muziekweek.

Internationale Gaudeamus Muziekweek 1999. Gehoord 7-12/9 diverse lokaties in Amsterdam