Aristocratisch tenor

De Spaanse zanger Alfredo Kraus, die vrijdag op 71-jarige leeftijd in zijn huis in Madrid aan kanker overleed, was de aristocraat onder de tenoren. Kraus was veertig jaar lang een van 's werelds beste lyrische tenoren, hij trad op in New York, Londen, Milaan, Berlijn en Wenen, waar hij erelid was van de Staatsoper. Maar buiten het circuit van ware operaliefhebbers was hij vrijwel onbekend. Kraus was wars van gemakkelijke populariteit en opgeschroefd sterrendom, zoals dat van de `Drie tenoren', waarin zijn landgenoten Placido Domingo en José Carreras samen met Luciano Pavarotti uit waren op wereldroem. Hij keerde zich fervent tegen zijn drie collega's omdat hij vond dat zangers tijdens massa-optredens met microfoons, luidsprekers en populistisch repertoire de opera vulgariseren. Volgens hem moes het publiek naar het theater komen om in de juiste omgeving te genieten van de operakunst.

Kraus beschouwde zich terecht als een Grote Tenor en hij bezat ook het bijbehorende eergevoel. Na zijn tirades tegen het optreden van de Drie Tenoren op het wk voetbal in Rome in 1990, werd hij in 1992 niet uitgenodigd om bij de openingsplechtigheid van de Olympische Spelen in Barcelona te zingen naast Carreras, Domingo, Caballé, Aragal en Pons. Kraus maakte bezwaar en na tussenkomst van de Spaanse cultuurminister mocht hij zingen in de Olympische hymne.

Alfredo Kraus werd op 24 september 1927 geboren in Las Palmas op de Canarische eilanden als de zoon van een genaturaliseerde Oostenrijkse journalist. Hij kreeg vanaf zijn vierde pianoles en maakte zijn zangersdebuut in 1956 in de opera van Cairo als Mantua in Verdi's Rigoletto. Hij bleef zijn hele leven zingen, tot zijn ziekte hem afgelopen juni dwong tot het afzeggen van Madrileense voorstellingen van Massenets Werther, waarin de titelpartij een van zijn glansrollen was. Kraus zong uitsluitend hoofdrollen, ook dat behoorde bij zijn trotse opvattingen als opera-connaisseur.

Alfredo Kraus zong met de grote sopranen, in La traviata naast Callas, Sutherland en Scotto, in Mozarts Così fan tutte naast Elisabeth Schwarzkopf. Met Joan Sutherland trad hij vele malen op, ook in 1959 toen de Londense voorstelling van Lucia di Lammermoor Sutherland in één avond wereldberoemd maakte.

De door de Portugese radio vastgelegde voorstelling van Verdi's La traviata, waarin hij op 27 maart 1958 in Lissabon de rol van Alfredo zong naast Maria Callas, staat op cd (EMI) en demonstreert de vroege glorie van Kraus, die hij zijn hele carrière behield. Hij zong moeiteloos, heel genuanceerd en met groot stijlgevoel. Hij bracht met jeugdig enthousiasme het drinklied Libiamo, zong met verve in het liefdes duet en toonde gevarieerde passie in Deh' miei bollenti spiriti.

Typerend voor Kraus waren zijn lichte hoge stem, elegant, zacht en glanzend, en zijn perfecte techniek. Het zijn de kenmerken van de met hem nu vrijwel verdwenen traditie van het ouderwetse belcanto, waarin de stem nooit wordt geforceerd. Toen hij in 1959 in Lissabon de rol van Arturo zong in I Puritani, zei de Italiaanse dirigent Tullio Serafin na afloop: ,,Kraus, Bellini schreef zijn opera uitsluitend voor jou.''

Kraus behield al zijn vocale kwaliteiten door zich in acht te nemen, niet te veel op te treden en zijn repertoire te beperken. Op zijn 65ste zong hij nog alle hoge c's in Donizettti's La fille du régiment.In 1988, 29 jaar na hun eerste Lucia, zong Kraus (61) nog samen met Sutherland (62) Lucia di Lammermoor in Barcelona, waar het publiek hen fêteerde als `operagoden'. In haar autobiografie betreurt Sutherland dat ze nooit plaatopnamen met hem maakte.

In masterclasses betoogde Kraus dat zangers binnen de mogelijkheden van hun stem moeten blijven en dat kunst, net als het leven, begint met zelfkennis.