Water en licht

IN DE SUPERMARKTEN staan schappen met alle mogelijke soorten en merken mineraalwater, frisdrank en vruchtensappen. Langs de snelwegen staan benzinepompen van uiteenlopende maatschappijen voor de verkoop van diverse kwaliteiten vloeibare energie. In een markteconomie is dat een vanzelfsprekendheid. Private ondernemingen produceren goederen en diensten en zorgen voor de distributie. Niet als het om water en elektriciteit gaat. Sinds de vorige eeuw behoren de water- en elektriciteitsvoorzieningen in Nederland en de meeste andere markteconomieën tot het publieke domein. Om redenen van hygiëne en volksgezondheid werden de waterleidingbedrijven door de lokale overheden opgezet. Ook de riool-, elektriciteits- en gasvoorzieningen waren een zaak van gemeentelijke nutsbedrijven.

Niet langer. Vorige week gaf het ministerie van Economische Zaken toestemming voor de verkoop van het Utrechts-Noord-Hollands-Amsterdamse energiebedrijf UNA aan de particuliere Amerikaanse onderneming Reliant en kort daarvoor mocht het Duitse Preussen Elektra het Zuid-Hollandse energiebedrijf EZH kopen. Hierbij zal het niet blijven. Over enkele jaren komt de rekening voor het kraanwater mogelijk van een Frans bedrijf.

BIJ DE PRIVATISERING van de nutsbedrijven is sprake van een sentiment dat niet bestaat in andere sectoren. Gas, water licht – dat zijn maatschappelijke goederen en hun exploitatie is een overheidszaak. Waarom eigenlijk? De PTT is geprivatiseerd en dat heeft in de telecommunicatiemarkt veel innovatie en lagere tarieven opgeleverd. Als de markt tot ieders tevredenheid werkt voor brood en bankzaken, kan de vraag worden omgedraaid: waarom zouden de productie en distributie van water en energie in overheidshanden moeten zijn?

De publieke structuur van de nutsbedrijven heeft een belangrijke rol gespeeld. Het maakte investeringen mogelijk in de aanleg van leidingen, buizen en riolen en het garandeerde uniforme levering tegen een betaalbare prijs. De keerzijde hiervan was een zekere logheid van de nutsbedrijven, een sympathieke maar niet erg dynamische bedrijfscultuur. Gemeentelijke overheden gebruikten met name de energiebedrijven als melkkoe voor inkomsten. Kosten en baten waren onduidelijk, de gemeentepolitiek bemoeide zich met de tarieven en een prikkel om efficiënter te werken was nagenoeg afwezig. Aan productdifferentiatie werd niet gedaan – uit de kraan komt maar één soort water en uit het stopcontact één soort stroom.

DE PRAKTIJK IS tegenwoordig anders. Er is vraag naar soorten water – drinkwater, waswater, spoelwater, industrieel water, landbouwwater – en er zijn alternatieve vormen van water- en energieproductie mogelijk. Bovendien vragen deze sectoren om investeringen, onder meer in milieutechnologie en onderhoud, waarvoor lokale overheden niet graag geld beschikbaar stellen. Voor de nutsmonopolies openden deze veranderde omstandigheden de weg naar privatisering. Hierdoor kan nieuw kapitaal worden aangetrokken en kunnen marktprikkels in de bedrijfsvoering worden opgenomen.

Privatisering van energie- en waterbedrijven heeft één groot risico en twee beperkende omstandigheden. Het risico is dat de lokale politiek en de managers van de nutsbedrijven geen verstand van de private markt hebben en het publieke goed tegen een te lage prijs aan de verkeerde marktpartij verkopen. Wat de prijs betreft: de opbrengsten voor UNA en EZH hebben de verwachtingen overtroffen. De reputatie van de kopers – Reliant en Preussen – zal in de praktijk moeten blijken, en hun prestaties kunnen straks vergeleken worden.

De beperkingen zijn ten eerste het gegeven dat stroom en water door een leidingennet getransporteerd moeten worden. Privatisering van de productie en distributie betekent dat het netwerk op een andere wijze beheerd moet worden. Hiervoor dient zich een oplossing aan zoals bij de telefoonkabels waar KPN Telecom andere aanbieders tegen een vergoeding toelaat. De tweede beperking is de garantie van prijs en kwaliteit. De overheid moet niet zomaar alles uit handen geven – dat doet zij ook niet in andere productmarkten –, maar afspraken maken met de nieuwe eigenaars. Bijvoorbeeld door in contracten maximale prijzen, kwaliteitseisen, navolging van regelgeving en concessietijd vast te leggen. Dergelijke contracten moeten natuurlijk vooraf, en niet achteraf zoals nu pas gebeurt bij de verzelfstandigde Spoorwegen, worden gesloten.

DE PRIVATISERING van de nutsbedrijven stuit hier en daar op politieke koudwatervrees. Het kan geen kwaad om er aan te herinneren dat in Frankrijk – een etatistisch land bij uitstek – de watervoorziening altijd al in particuliere handen was. Vivendi en Suez Lyonnaise des Eaux zijn succesvolle all service-ondernemingen. In de energiesector bestaat internationaal ook de nodige private ervaring. Nog los van de Europese regelgeving maakt privatisering kosten en baten expliciet en introduceert het een winstprikkel in een bedrijfstak waar deze lang niet nodig werd geacht. Maar als water en stroom niet anders zijn dan andere producten, behoort dat laatste binnenkort tot het rijke verleden.