Ten strijde tegen de mobiele telefoon

De mobiele telefoon is nu zo alomtegenwoordig dat wij ons er niet meer druk over lijken te maken. We lijken niet eens te beseffen hoe ingrijpend het ding onze cultuur en ons gedrag heeft veranderd. De telefoon is er toch altijd geweest? De mobiele telefoon is alleen maar een draadloze versie waar je zo de deur mee uitloopt, een reuzehandig dingetje. Niks aan de hand, toch?

Er is wél iets aan de hand: de mobiele telefoon heeft ons gedrag in het openbaar volkomen veranderd. Sterker nog, hij heeft, zonder dat wij het in de gaten hadden, de scherpe grens tussen openbaar en privé verdoezeld, met verregaande gevolgen voor de manier waarop wij elkaar – en onszelf – behandelen. De techniek is alle etiquette, ieder gevoel voor sociale omgangsvormen dat wij eventueel bezaten voorbijgesneld, zodat wij geen spier meer vertrekken wanneer wij mensen door hun mobiele telefoon hun hart horen uitstorten, horen schelden of kirren. Wij zijn een volk van dwangmatige communicatoren geworden, van non-stop-kletsmeiers, die uiting geven aan onze allerpersoonlijkste gedachten in de alleropenbaarste ruimten – in de hal van een vliegveld, in een restaurant of midden op straat.

Wij zijn nu allemaal elkaars publiek. Je hoeft je niet meer binnen te dringen bij `Jerry', bij `Oprah' of bij een van de andere biechtshows op tv. Een openbare ruimte en een mobiele telefoon, meer heb je niet nodig, en daar sta je al midden op de Bühne en kun je iedereen de kleine of grote drama's van je leven in de oren toeteren. Kijk mij eens, zegt de beller. Ik bén iemand. Ik kan niet eens wachten tot ik weer op kantoor ben of tot ik een telefooncel vind. Ik moet nú bellen. Ze hebben me nodig. Ik ben belangrijk. Moet je horen! Mijn vrienden houden van me. Mijn kinderen hebben me nodig. Mijn baas weet zich zonder mij geen raad. Ik tel mee.

Wat bezielt ons allemaal? Waarom moeten wij per se de hele tijd verbaal met iemand verbonden zijn? Kunnen wij er niet meer tegen dat er eventjes niets gebeurt, dat wij in stilte ons eigen gezelschap zijn? Zelfs de kinderen zijn aangesloten, moeten hun eigen telefoons en buzzers meezeulen, zijn totaal volgeboekt – dán gaan we spelen, dán naar het voetballen –, opdat ook zij maar leren vreemden te zijn voor zichzelf, niet gewend aan rust, niet wetend dat openbaar en privé gescheiden zijn, of behoren te zijn.

Slechts in eenzaamheid kan men de eigen gaven en gebreken beoordelen – ongetwijfeld de reden waarom wij die toestand mijden. Slechts in privacy – ver van de menigte, ver van het publiek – komen wij tot oorspronkelijk en creatief werk en peilen wij de afgrond van ons geweten. Slechts in privacy ervaren wij de waarste, diepste gevoelens, hetzij in afgrijzen of in verrukking.

De rest is pose: het leven als publiekssport – precies wat wij van seks ook gemaakt hebben. Het accent ligt niet meer op de daad zelf, maar op het rechtstreekse postcoïtale ooggetuigenverslag. Net als de sensatieshows op tv is de postmoderne sitcom vaak niet veel méér dan een prikkelend marathongesprek, waarin groepjes vrienden en vriendinnen al converserend elkaars seksuele belevenissen ontleden. Uit roofbouw op zinnige ervaringen winnen zij de grondstoffen voor de bereiding van de goedkope anekdotes die zij hun clubje voorschotelen.

De mobiele telefoon heeft dat proces versneld. Hup, uit bed en zó aan de telefoon: weet je wat ik heb gedaan, weet je wat hij deed. Deze apparaatjes hebben het karakter van roddelpraat veranderd, ze hebben hem sneller, wreder, directer en alomtegenwoordig gemaakt. Er is geen tijd meer om te bewerken, te schrappen, te savoureren. Alles is hapklaar, niets is heilig, alles is koren op de mobiele molen.

Het lijkt er dan ook op dat wij het idee dat privacy ergens goed voor is, volkomen hebben laten varen. Het lijkt of de hele twintigste eeuw slechts één doel heeft gehad: dit door de techniek in de hand gewerkte afscheid van het privé-leven, zodat wij thans een punt naderen waar niets meer buiten de openbaarheid mag blijven, waar een mens nergens meer alleen kan of hoeft te zijn. De ironie is alleen dat de telefoons het erger maken. Kijk maar: jij loopt in de stad door een drukke straat, overal om je heen lawaai en mensen en bont gewemel – maar jij loopt te praten met een per snelkiezer opgeroepen vriend of vriendin, of te ruziën met je echtgenoot. Je leeft in een cocon, afgesneden van de dingen en de mensen om je heen, je leeft in die bizarre niet-intieme intimiteit, die bizarre publieke privacy die zo kenmerkend is voor zoveel van onze moderne interactie. Het is al helemaal niet ongewoon meer om twee mensen samen te zien lunchen die midden onder het eten niet met elkaar praten, maar ieder via de eigen telefoon met iemand anders.

Het heeft ook iets snoeverigs, de suggestie van kijk-mij-eens die een rinkelende telefoon oproept. Sorry hoor, iemand moet mij nú spreken. Maar is íemand van ons werkelijk zó belangrijk? Zeker, wij hebben allemaal deadlines, privé en in ons werk, maar vrijwel niemand is voor een onderneming zo essentieel dat zij op dit moment moet worden gebeld, in het openbaar, ongeacht waar of in welke omstandigheden zij verkeert. Dat is gewoon zelfverheerlijking en flauwekul. Ook kinderen kunnen heus wachten. Zij hoeven niet op een heel bepaald moment te worden gebeld of gehaald. We hebben ons ten slotte ook zonder deze dingen gered. Ze wekken een bedrieglijke suggestie van urgentie, van drama, van leven dat tot het uiterste wordt geleefd.

Anne Taylor Fleming is publiciste.

©LAT-WP Newsservice