Tamme kraai

,,Gerrùt, Gerrùt, ka, ka, kom dan, kom dan'', riep ik voor de zoveelste keer en jawel hoor, daar kwam hij nog een keer aangevlogen en ging op mijn schouder zitten om het stukje kaas aan te pakken dat ik voor hem had. Daarna vloog hij weg en heb ik hem nooit meer teruggezien.

Drie keer heb ik een tamme kraai gehad en alle drie heetten ze Gerrit – dat was vroeger nu eenmaal de naam voor een tam kauwtje. Mijn oudste broer Jan heeft zelfs een sprekende tamme ekster gehad. We haalden een van de jonge vogels, vlak voor ze uit konden vliegen, uit het nest. De kauwtjes nestelden graag in schoorstenen. Weliswaar werden de rookkanalen vaak afgesloten met een korfje van ijzer dat in de pijp werd geklemd, maar er was altijd wel ergens een pijp waarin de zwarte vogels terecht konden. Regelmatig klom je op het dak om te kijken hoe het stond met de eieren of de jongen.

Bij eksters was dat een stuk moeilijker, die nestelen in hoge bomen, vaak in populieren. Eksters golden als schadelijke vogels waarvan je de nesten gerust mocht leeghalen. Het was levensgevaarlijk, maar ook heel spannend, daar boven in zo'n heen en weer zwiepende boomtop. Soms kon je er maar net bij en stak je voorzichtig je hand in de opening onder het dakje en voelde in het zachte bedje, leeg. Iemand was je al voor geweest. Soms had je geluk en zaten er zes en soms wel acht eieren in een nest. Het was een hele toer om ze heel beneden te krijgen. Meestal deed je ze in een borstzakje van je bloes, maar het gebeurde wel eens dat je uitgleed of een verkeerde beweging maakte. Dan voelde je de struif langzaam over je buik lopen.

Soms kon je ze ook naar beneden gooien waar je vriendjes ze opvingen in een jas. Piet, de zoon van de visboer stopte ze altijd in zijn mond. Het is ons één keer gelukt hem tijdens het afdalen aan het lachen te krijgen zodat hij alle eieren stukbeet en ze uit moest spugen. Uit de nesten van andere vogels namen we meestal maar een of twee eieren mee om ze thuis uit te blazen voor de verzameling.

Jonge vogels lieten we altijd met rust, behalve dan natuurlijk die ene kauw die tam gemaakt moest worden en die gekortwiekt werd door een stuk van van zijn slagpennen af te knippen. We hielden hem in een kooitje en na een tijdje was hij zo aan je gewend dat je hem op je schouder overal mee naar toe kon nemen, zelfs op de fiets. Hoe meer de slagpennen aangroeiden, hoe verder hij weg kon vliegen en hoe groter de voldoening van de kleine dompteur als de gevederde vriend op zijn geroep terug kwam vliegen en een zachte landing op zijn schouder maakte.

Aan het eind van de zomer lieten we de vleugels weer helemaal aangroeien en kreeg Gerrit steeds meer contact met zijn vrije soortgenoten. Een tijdlang zat hij in een loyaliteitsconflict en kwam nog regelmatig even langs en knabbelde aan je oorlelletje als om te zeggen: `Jongen ik vind je heel lief maar ik kan niet anders, ik moet nu gaan'. En met een laatste ka, ka vloog hij zijn kraaientoekomst tegemoet.