Samen pronken

Mannelijke pauwen pralen het liefst samen met familieleden. Zelfs als verwante pauwen gescheiden opgroeien, weten ze jaren later nog hun broers en half-broers te vinden.

MANNELIJKE PAUWEN protsen graag in groepen. Want hoe groter de groep, hoe meer wijfjes erop af komen en dat levert meer nakomelingen op. Dat showen gebeurt meestal in familieverband. Een pauw die zijn veren opzet, heeft vaak een broer of half-broer naast zich. Die familieband blijkt erg sterk. Zelfs als de vogels bij hun geboorte gescheiden worden, weten ze hun broers en half-broers jaren later nog te vinden. Dat blijkt uit een onderzoek van Britse evolutiebiologen dat donderdag in Nature werd gepubliceerd.

Die uitkomst was totaal onverwacht, zo schrijven de evolutiebiologen. In 1991 haalden ze acht volwassen, mannelijke pauwen uit Whipsnade Park, waar een populatie van zo'n 200 pauwen vrij rondloopt. De acht pauwen werden verhuisd naar een boerderij in Norfolk waar ze mochten paren met vier wijfjes. De eieren werden bij de ouders weggehaald, gemarkeerd en bij verschillende andere groepen neergelegd met een uiteenlopende graad van verwantschap. De uitgebroede, gemerkte pauwen groeiden op in grote, gemengde groepen. Maar ze hadden geen contact met hun directe verwanten: broers, zussen, half-broers en half-zussen. In 1992 keerden ze terug naar Whipsnade Park. Toen de mannetjes daar enkele jaren later hun vaste `tentoonstellingsplaats' hadden ingenomen – de pauwen pralen op zo'n 3 tot 9 meter van elkaar – bleken ze zich vooral in de buurt van hun broers en half-broers te hebben gevestigd. De Britten volgden 19 mannetjes en verwachtten dat er twee naast een verwant familielid zouden zitten. Maar dat bleken er acht.

De pauwen hebben dus blijkbaar een manier waarop ze hun verwanten herkennen. Hoe ze dat doen is de Britten een raadsel. Volgens hen is het de eerste keer dat het verschijnsel bij vogels is waargenomen. Van apen was het al bekend. Zo beschreven de primatologen Lisa Parr en Frans de Waal in de Nature van 17 juni een experiment waarbij ze chimpansees een aantal foto's voorlegden van verwante apen. De chimpansees hadden deze soortgenoten nooit eerder gezien. Toch wisten ze bijvoorbeeld een foto van een moeder feilloos te koppelen aan foto's van haar zoon. Dus, zo concludeerden Parr en De Waal, chimpansees kunnen overeenkomsten herkennen in de gezichten van verwante, maar onbekende individuen.

Het mechanisme achter dit systeem heeft een evolutionaire grondslag en heet kin selection (selectie van verwanten). De theorie omtrent dit verschijnsel werd in 1964 opgesteld door de theoretisch bioloog W.D. Hamilton. Hij vond een verklaring voor de vraag hoe altruïstische genen – die ervoor zorgen dat zijn drager zich altruïstischer gaat gedragen – zich in populaties kunnen verspreiden en handhaven, terwijl de individuen op één ding uit zijn: zich voortplanten.

De theorie werd later uitgewerkt door ecologen als Woolfenden en Mumme, die uitgebreide studies verrichtten aan de Florida scrub jay, een eksterachtige die in het westen van de VS en in Florida voorkomt. Broedende scrub jays hebben vaak een paar helpers – meestal twee, maar soms wel zes – in de buurt van hun nest. Die helpers proberen rovers, zoals vogels en slangen, op een afstand van het nest te houden. Voor de ouders is het gunstig om helpers te hebben. Mumme berekende dat een jonge scrub jay 35 procent kans heeft om zijn zestigste levensdag te bereiken als er helpers in de buurt zijn. Zonder helpers daalt die kans tot 7 procent. Dus de ouders zullen altruïstische familieleden van harte verwelkomen.

verwantschap

Een helper plant zich niet voort. Dat lijkt ongunstig. Toch zal hij hulpgedrag vertonen als hem dat meer oplevert dan het zelf voortbrengen van een nest. Het is een eenvoudige kosten-baten analyse. Volgens de theorie van Hamilton: verwantschap tot de geholpen ouders, vermenigvuldigd met de baten, moet groter zijn dan de verwantschap tot de eigen kinderen vermenigvuldigd met de kosten. Verwantschap is in dit geval de kans dat een nieuw gen, dat verschijnt in het ene individu, ook voorkomt in een ander individu. De verwantschap van ouder tot kind is een half, van een helper tot een broer of zus ook. Deze vergelijking maakt duidelijk dat er voor een scrub jay al heel wat te halen moet zijn, wil hij een half-broer (verwantschap: een kwart), of een neef (een-achtste) gaan helpen.

Bij pauwen werkt het blijkbaar net zo. Ook zij hebben een soort help-systeem. Mannelijke pauwen hebben elk een territorium waarbinnen ze hun protsgedrag tentoon spreiden. In de buurt staan meestal broers en half-broers te pronken. Hoe groter de groep, hoe meer wijfjes er op af komen. Maar van zo'n groep komen slechts een of twee vogels tot paring. De rest staat erbij en kijkt ernaar. Toch moet hier voor de `verliezers' een voordeel aan zitten, anders zouden ze zich niet zo uitsloven. Dat voordeel wordt, volgens de theorie van Hamilton, snel kleiner naarmate de verwantschap met de omringende pauwen daalt. Als pauwen hun verwanten niet zouden herkennen – en dus ook zouden pronken met niet-verwante soortgenoten – zou een altruïstisch gen snel uit de populatie verdwijnen. Het feit dat pauwen hun familieleden wel herkennen, geeft een altruïstisch gen een grotere kans om in een populatie te blijven voortbestaan. Daar zit verder geen bedoeling, of bewuste keuze achter. Zo'n gen verschijnt op een gegeven moment – door mutatie of verdubbeling van een bestaand gen – en tijdens het daarop volgende schavende proces van natuurlijke selectie zal dat gen zich verspreiden of weer verdwijnen, afhankelijk van de omstandigheden.