OP TEXAS GEVALLEN METEORIET BEVAT MINIEME WATERSPOREN

Amerikaanse onderzoekers hebben in een meteoriet microscopisch kleine insluitsels ontdekt die water lijken te bevatten. De meteoriet was er één van een tweetal dat op 22 maart vorig jaar in Monahans, in het westen van de Amerikaanse staat Texas, uit een heldere hemel op aarde viel. De meteoriet werd direct voor onderzoek naar het Johnson Space Center in Houston gebracht en nog geen 48 uur na zijn val was hij al opengebroken en kon men monsters uit het inwendige in het laboratorium analyseren. Door deze snelheid was in ieder geval de kans op besmetting door aardse stoffen uitgesloten.

De meteoriet bleek grote kristallen van het mineraal haliet (steenzout, natriumchloride) te bevatten, met daarin kleinere kristallen sylvien (kaliumchloride): een mineraal dat op aarde door indamping ontstaat. In de halietkristallen bevonden zich ook insluitsels van ongeveer 5 micron groot, met in sommige belletjes. Die wezen er op dat de insluitsels vloeistof en damp moesten bevatten. Bij afkoeling krompen de belletjes en soms waren ze tijdens het bevriezen van het insluitsel (bij circa -45 °C) geheel verdwenen. Spectra van de insluitsels komen overeen met die van een verzadigde oplossing van natriumchloride in water, ofwel pekel (Science, 27 augustus).

Meteorieten zijn fragmenten van grote klonters oermaterie (planetesimalen) die na het ontstaan van de planeten – ruim 4,5 miljard jaar geleden – achterbleven. Sommige astronomen denken al sinds lang dat watermoleculen bij dit ontstaansproces een belangrijke rol hebben gespeeld. Het meest voorkomende element in het zonnestelsel is immers waterstof, terwijl het op twee na meest voorkomende element zuurstof is. Van meteorieten is lang gedacht dat zij na hun ontstaan niet meer veranderden, maar sommige meteorieten vertonen sporen van veranderingen onder invloed van water die kort na het ontstaan van het moederobject moeten hebben plaatsgehad.

De ontdekking van pekel in de Monahans-meteoriet suggereert opnieuw dat er tijdens het ontstaan van deze meteoriet waterige vloeistoffen aanwezig waren. Hiermee is echter nog niet de vraag beantwoord of deze vloeistoffen al vóór het ontstaan van de meteoriet aanwezig waren, of pas op het moederobject zelf zijn ontstaan – wat van zeer groot belang is voor de modellen van het ontstaan van het zonnestelsel. Misschien kan hier meer over worden gezegd als het meteorietwater via isotopenanalyses nader wordt bestudeerd. Dat zal echter niet eenvoudig zijn, omdat de insluitsels slechts ongeveer één picomol (10 mol) water bevatten: een factor duizend te klein voor de huidige massaspectrometers.