Onze cultuur zoekt dringend een nieuwe canon

Herbezinning op het culturele richtsnoer is een urgente opgave voor politici, ondernemers, geleerden en kunstenaars. Want werken aan de culturele infrastructuur is minstens zo belangrijk voor de toekomst van onze samenleving als Schiphol en de Betuwelijn, vindt Bram Kempers.

Als de vos de passie preekt, boer pas op je kippen' is een niet eenvoudig te onderdrukken reactie op het hooggestemde pleidooi van drs. R.F.M. Lubbers ten gunste van cultuur als eerste levensbehoefte. Drie achtereenvolgende kabinetten leidde hij met als motto no nonsense en nu, inmiddels hoogleraar in Tilburg en voorzitter van de raad van advies van het Nexus Instituut, omarmt hij de muzen.

Lubbers springt op de bres voor ,,cultuur als normerend begrip [...] als de verzameling van waarden die het ideale menszijn bepalen.'' Daarbij doet hij een beroep op de Europese tradities van klassieke oudheid, jodendom, christendom en humanisme, aangevuld met de verworvenheden van enkele moderne kunstenaars. Dit erfgoed dreigt, aldus Lubbers, verloren te gaan door vier ontwikkelingen: kapitalisering, mediasering, politisering en infantilisering. Als remedie stelt hij voor terug te keren naar de inmiddels moeilijk toegankelijke elitecultuur van weleer.

Hoewel de diagnose van die vier noodlottige trends blijft steken in retoriek, verdient de voorgestelde therapie – meer kennis van de muzen – een serieuze reactie. Lubbers neemt met zijn pleidooi voor klassieke cultuur een goed standpunt in, dat de weg opent voor een hoognodige discussie over kunst én onderwijs, maar hij verdedigt zijn visie onvoldoende.

Impliciet kritiseert Lubbers het beleid van de huidige staatssecretaris Van der Ploeg, evenals Lubbers van origine econoom en evenmin specialist op het terrein van kunst en cultuur. Van der Ploeg pleit voor datgene waar Lubbers zich tegen kant: de kunstenaar moet zich meer gedragen als ondernemer en er dient veel meer aandacht uit te gaan naar jongeren en allochtonen. Dit debat over de inbreng van afzonderlijke groepen in het cultuurbeleid, vaak gevoerd in deze kolommen, is te belangrijk om impliciet te laten. Lubbers poneert de provocerende stelling dat we terug moeten naar een door enkele kunstenaars en geleerden gedragen cultuurideaal en ons niet moeten overgeven aan pluriformiteit van voorkeuren, kwaliteits-oordelen, smaak en interesses, die Kok en zijn bewindslieden juist meer ruimte willen geven. Voor Van der Ploeg was het van belang een nieuwe legitimering van het cultuurbeleid te ontwikkelen. Reeds bekende gedachten over cultuurparticipatie blies hij nieuw leven in en zo zette hij met verve zijn beleidsterrein, waar relatief weinig geld mee gemoeid is, op de kaart van het publieke debat.

Het is jammer dat nu een afweging tussen beide standpunten uitblijft. Geborneerd cultureel absolutisme dreigt te staan tegenover grenzeloos relativisme dat een noodlottig huwelijk aangaat met politieke correctheid. Zo'n patstelling is intellectueel onbevredigend. Zij kan bovendien rampzalig uitpakken voor het onderwijs aan onze kinderen en kleinkinderen. Niet alleen het kunstbeleid is in het geding maar tevens het beleid inzake het onderwijs: van laag tot hoog. Dat maakt het des te belangrijker het debat te voeren en standpunten tegen elkaar af te wegen.

Lubbers' betoog beweegt zich overwegend op een hoog abstractieniveau. Om greep te krijgen op zijn cultuurideaal is het verhelderend na te gaan welke namen hij noemt. ,,Altijd zullen we te rade kunnen blijven gaan bij Shakespeare en Yourcenar, Bach en Berio, Van Gogh en Warhol, Montaigne en Nietzsche, Andrei Tar-kovski en Bill Viola.'' Het is een curieus gezelschap; Bach en Warhol als deel van één norm? Wat is hier de onderlinge samenhang, de Nexus? Het lijkt op de populaire quizvraag wie niet thuishoort in deze reeks. In mijn beroepskring bleek bij navraag Bill Viola nauwelijks bekend te zijn, terwijl op college ongeveer eenderde van de zeventig studenten hem wel kenden. Jongeren en ouderen hebben elk hun eigen helden.

Bij de rij van Lubbers voegen zich later in zijn betoog nog anderen voor wie zo mogelijk nog meer kan gelden ,,bien étonnés de se trouver ensemble'': Beethoven, Mahler, Thomas Mann, James Joyce, Joseph Brodsky en Joop den Uyl. Deze bonte verzameling namen geeft meteen al aan dat de `culturele top' die Lubbers als gegeven beschouwt zowel inzet is van een hedendaagse maatschappelijke discussies als vrucht van historische ontwikkelingen. De moderne tijd kent niet meer één culturele canon die op een vanzelfsprekende manier maatgevend is voor het beleid van culturele instellingen en voor ons onderwijs. Er ontbreekt één wetenschappelijk gefundeerd ethisch-esthetisch geheel van normen en inzichten, terwijl Lubbers doet alsof zoiets wel bestaat. In de christelijke en klassieke exempelen, aangevuld met enkele modernisten, zoekt hij een alom geldend ideaal dat iedereen de weg wijst om een beter mens te worden. Lubbers licht zijn eigen canon echter veel te weinig toe en gaat voorbij aan allerlei vitale ontwikkelingen.

Het vaststellen van de canon (richtsnoer, standaard of maatstaf) is nu juist een probleem geworden en zelfs de mogelijkheid om tot één lijst van voorbeeldige teksten, kunstwerken en personen te komen staat ter discussie. De klassieke norm is ondergraven, ook door enkele van de door Lubbers ten tonele gevoerde kunstenaars en geleerden. Er zijn nog maar weinig denkers wier werk voor alle groepen in de samenleving richting geeft aan gedrag en gevoel. De modernisten hebben bressen geslagen in het ooit geldende stelstel van waarden. Vervolgens zijn ze zelf (veel sneller en met minder moeite dan Lubbers suggereert) klassiek geworden. Vanuit een marxistische en sociaal-democratische inspiratie is met succes gepleit voor de eigen rechten van de arbeiders-cultuur. Feministen zijn opgekomen voor het aandeel van de vrouwen in een voorheen door mannen gedomineerde canon. Het exclusief Europese karakter van cultuur is onder vuur genomen, ten dele vanuit protestbewegingen die vaak werden gedragen door niet-witte mensen. Christelijke opvattingen zijn bestreden door aanhangers van andere religies en door atheïsten. De jeugdcultuur heeft zijn pleitbezorgers gekregen, evenals de volkscultuur en de cultuur van de nieuwe media - eerst fotografie en film, daarna televisie, video en Internet.

En of de diversiteit in cultuuruitingen per klasse, sekse, ras, leeftijd, levensbeschouwing en medium nog niet voldoende was, voegden de postmodernisten aan alle twijfel nog toe dat er helemaal geen ijkpunten bestaan. Vaste normen voor het goede, ware en schone gelden niet meer, aldus de postmoderne denkers, die kortstondig voor een nieuwe zekerheid leken te zorgen. De canon was nog niet gesplitst in talrijke normenstelsels of als klap op de vuurpijl werd het bestaan van een vaste maatstaf zèlf in twijfel getrokken - nog voordat de afzonderlijke culturen goed en wel gedefinieerd waren.

In het onderwijs rijst de vraag hoeveel lessen in klassieke talen gegeven moeten worden en wat de ideale docent zelf moet weten en kunnen. In gymnasiale kringen heeft menigeen het gevoel dat met het studiehuis niet minder dan de toekomst van de beschaving op het spel staat. Moeten we Homerus of Madonna doceren, Vergilius of Toon Hermans? En als de ui eenmaal is afgepeld, wat hebben we dan nog over? Na alle kritiek die door diverse groeperingen is uitgeoefend op het klassieke cultuurbegrip is het de hoogste tijd voor bezinning over de mogelijkheid van een synthese tussen het oude ideaal en de moderne en postmoderne kritiek die daarop is geleverd. Zelfs de meest verstokte postmodernist leest zelf ook liever Homerus dan Nel Benschop, dus ook vanuit extreem relativistisch perspectief komt eens de vraag naar het bestaan van absolute waarden opnieuw aan de orde.

Voor bezinning over een synthese tussen uiteenlopende opvattingen biedt de manier waarop Lubbers, alsof er niets aan de hand is, pleit voor cultuur een nuttig aanknopingspunt. Zijn ouderwetse verheerlijking van de traditie kan verfrissend werken bij de meningsvorming over het beleid inzake het voortgezet, wetenschappelijk en hoger beroepsonderwijs. Het is nodig een canon te definiëren die recht doet aan de klassieke, moderne en postmoderne opvattingen. We moeten ons voordeel doen met het inzicht dat geen enkele norm vanzelfspreekt en toch de hoge kwaliteit erkennen van de oude helden. Bij de uitwerking van nieuwe vakken als culturele en kunstzinnige vorming (CKV) en de op handen zijnde bachelors- en masters-programma's aan de universiteiten kunnen we niet zonder zo'n richtsnoer.

Deze kwestie blijkt enorm te leven. Met het oog op de afronding van dit millennium zie je een koortsachtige activiteit om de canon opnieuw vast te stellen: `De oogst van de eeuw' in deze krant, de keuze van een `Dichter des Vaderlands' en `Neêrlands Favoriete Gedicht' op het programma van Poetry International op 26 januari 2000, de openbare reacties op zo'n keuze in de VPRO Gids (`Wat een verschrikkelijk idee' en `Ik vind het een raar plan'), de reeks in Vrij Nederland `het karakteristieke van de twintigste eeuw' en de diverse lijsten van de belangrijkste schrijvers en wetenschappers uit de laatste honderd of duizend jaar met bovenaan vaak de namen van Einstein, Freud en Proust. In Italië worden op grote schaal CD-roms uitgegeven met hoogtepunten uit de kunst. Het is een populair gezelschapsspel geworden de canon te bepalen.

We mogen Lubbers voor zijn prediking ten gunste van cultuur dankbaar zijn, maar er is nog een heel karwei af te maken, ook voor hem. Er ligt veel zendings- en missiearbeid voor de boeg. Het zal nog wel even duren voordat ondernemers en politici een voorbeeld zullen nemen aan kunstenaars en geleerden aan wie de laatste decennia is voorgehouden zich als ondernemer te gaan gedragen. Van de bijna argeloze manier waarop Lubbers het cultuurbegrip in historisch, sociaal-wetenschappelijk en literatuurtheoretisch opzicht gebruikt mogen we een heilzaam effect verwachten, mits zijn standpunt expliciet wordt afgewogen tegen dat van Van der Ploeg en anderen en mits deze discussie wordt verbreed van het kunstbeleid naar het onderwijsbeleid.

Dankzij de oud minister-president weten we het nu zeker: herbezinning op de culturele canon is een urgente en hypermoderne opgave voor politici, ondernemers, geleerden en kunstenaars. Kok II kan een creatieve bijdrage leveren aan de culturele infrastructuur van ons land. Dat is voor de toekomst van onze samenleving minstens zo belangrijk als Schiphol en de Betuwelijn.

Prof.dr. B. Kempers is hoogleraar sociologie van kunst aan de Universiteit van Amsterdam.