`Ondergronds kreeg je vijftig procent meer'

In 1965 ging minister Joop den Uyl van Economische Zaken naar Limburg om in de stadsschouwburg van Heerlen de sluiting van de eerste staatsmijnen aan te kondigen. Tien jaar later waren ze allemaal dicht. Jan Finger (1943), nu adjunct-directeur van Industrion, museum voor industrie en samenleving in Kerkrade, begon op zijn zestiende in de mijnen en kwam via een avondstudie wis- en natuurkunde in het onderwijs en bij het mijnmuseum terecht.

,,We woonden in de kolonie, iedereen werkte op de mijn. Maar mijn vader, zoals alle vaders, zei: als jij de koel in gaat, breek ik je alle knoken. Hij was er trots op dat ik als enige uit de straat de HBS deed. Ik heb het mijn ouders ook pas verteld toen het met de mijn al rond was. Ik heb ze tien jaar lang aardig teleurgesteld. Later, toen ik ondergronds ploegbaas werd en via leraar wis- en natuurkunde directeur van het museum, kwam dat wel weer goed.

Ik was zestien, ik wilde in de groep meedraaien, mijn vriendjes hadden wel een bromfiets. Het waren de sixties: hard werken en stevig stappen, alles was mogelijk, zeker als je goed verdiende.

Ondergronds kreeg je vijftig procent meer dan bovengronds. Plus alle andere voordelen. Kolen waren niet te betalen, maar iedere mijnwerker kreeg per jaar 42 hectoliter. Daar kon je de duivel mee uit de hel stoken en dan had je nog over. Dat was de greep die de bedrijven hadden. Een goedkope hypotheek, het werd allemaal geregeld.

Toen ik begon was het nog de handkoolmethode. 's Ochtends met de lift zevenhonderd meter omlaag. Je was anderhalf uur, twee uur per dag kwijt aan reizen. Twee uur voor het losbreken van zo'n tienduizend kilo steenkool met een kolenboor – dat is verrekte moeilijk de eerste jaren. Twee uur om die kool met een schep te verplaatsen en zo'n twee uur om de gang te stutten. Een gang was zo hoog als de steenkoollaag, meestal één meter, één meter twintig. Het was er warm, dertig graden, en stoffig. Als je weer bovenkwam was je zwart.

,,In zo'n gang van driehonderd meter zat je met je vaste ploeg, vijftig man, om de paar meter een vent. Met je ploeg sloot je een ploegakkoord. Die laag moest er in anderhalf jaar uit. Als je sneller was, kreeg je een premie, soms wel 30 procent. Er werd nooit om hulp gevraagd, altijd hulp geboden. De keten is zo sterk als de schakels. Het was de saamhorigheid. Die zag je ook terug bij de verenigingen, bij de harmonie. Daar bleef ook nooit werk liggen.

,,Na de handkoolmethode kwam de mechanisatie, werd je een bedieningsvakman van machines met 320 atmosfeer oliedruk en vier elektromotoren van elk 150 pk. In het begin bleef er een aantal mensen dood. Het waren zware, moeilijke machines. Je stond verder uit elkaar, vijftig, zestig meter, je zag elkaar niet. Maar het werk was goed. Als je daar zwart wilde worden, moest je je hand over je gezicht halen.

Toen Den Uyl kwam vonden we dat voorhoedegevechten van de directie waar je als arbeider geen weet van had. Het zal wel wat minder worden, dachten we. Maar ze begonnen meteen de Hendrik en de Emma samen te voegen en hele ploegen te plaatsen. Mannen van 35, 36 in de kracht van hun leven, gingen al weg. Want tien jaar later zouden ze moeilijker herplaatsbaar zijn. Maar daardoor viel wel de ruggengraat weg. Ik was op mijn vijfentwintigste als jonge vent al voorman. En mijn plaats werd opgevuld door Joegoslaven of Marokkanen met een tijdelijk contract. De groepen werden minder homogeen.

Ik was een avondstudie gaan doen, je bent getrouwd, je krijgt kinderen. Ik ben ook cursussen gaan geven aan mijn collega's. Ze gingen naar de Akzo, naar de Hoogovens, naar de chemische bedrijven van de DSM. Er waren natuurlijk hele volksstammen die zeiden: reik mij maar een baan aan, ik kom thuis, ik voer de varkens, voer de duiven, pak een flesje bier en ga tv kijken, dat waren de onbezorgde mensen. Maar veel anderen lieten zich omscholen. Dat is in Nederland goed gegaan, als je het vergelijkt met België en Duitsland. Al was er natuurlijk ook veel ellende.

In december 1974 zijn de laatste mijnen dichtgegaan, de Oranje Nassau I en de Julia. Er is geen ceremonie geweest. Als een fabriek dichtgaat, sluit je de poort en staan er een paar duizend man op straat. Bij de mijnen heeft het inkrimpen tien jaar geduurd. De laatsten die de mijnen verlieten waren wat mensen die daar wat directie voerden en de monteurs die de ventilatoren en de waterpompen op gang hielden. Die werkten niet ondergronds.''