Niemand durft trots te zijn

De West-Duitse schrijver Peter Schneider ziet in beide kanten van Berlijn humeurige Duitsers. Tien jaar na de val van de Muur is niemand optimistisch over de toekomst. Intellectuele discussies over de veranderingen worden niet gevoerd. In zijn nieuwe boek schetst Schneider het nieuwe Berlijn. `Elk idee ontbreekt, dat het oké is Duitser te zijn.'

Het nieuwe Berlijn verwarde Eduard. Nog voor de val van de Muur was hij naar Californië vertrokken om aan de universiteit van Stanford onderzoek te verrichten. Na vele jaren voert de erfenis van zijn grootvader hem naar Oost-Berlijn. Hij heeft een royaal huis geërfd in de Rigaer Strasse, in Friedrichshain, een wijk die wordt gedomineerd door punks en krakers. Daar wacht hem de cultuurschok, en botst hij op de mentale muur die Oost en West verdeeld houdt.

In zijn nieuwste roman Eduards Heimkehr beschrijft de Berlijnse publicist Peter Schneider hoe de hereniging van Oost- en West-Duitsland uitloopt op een regelrechte klassenstrijd. Het huis in Oost-Berlijn is bezet door tientallen krakers. Zij weten zich gesteund door de Oost-Berlijnse politie.

Eduard moet zich in hun situatie proberen in te leven, houdt de politie hem voor, als twee in het zwart geklede mannen hem vanaf het dak met pistolen bedreigen. De huurders weten niets van de eigenaar en de nieuwe eigenaar weet niets van de huurders. Komt de huisbaas plotseling in een Mercedes voorrijden – het doet er niet toe dat Eduard met de metro is gekomen – en zegt dat het pand van hem is. Dan kan iemand nog zo sensibel en aardig zijn, zegt een agent, da kocht die Volksseele.

Bijna tien jaar na de val van de Berlijnse Muur, is de nacht van 9 op 10 november 1989 een dankbaar thema voor Duitse schrijvers, regisseurs en filmmakers. Thomas Brussig beschrijft het leven in de Oost-Berlijnse Sonnenallee. Theaterregisseur Leander Haussmann werkt aan een film over zijn jeugd in de vroegere DDR. En Peter Schneider komt met een stadsroman in de traditie van Alfred Döblin, wiens Berlin Alexanderplatz over het Berlijn van de jaren twintig furore maakte.

Aan de hand van Eduards terugkeer in de hoofdstad, beschrijft Schneider de hoop die met de opbouw van het `nieuwe' Berlijn is verbonden, maar ook de pijn en de verbittering van de hereniging. Met een ironische ondertoon schrijft Schneider over de Heimat, die voor Ossies en Wessies vreemd geworden is. Oost-Berlijnse dichters, Stasi-spionnen, yuppies in de cafés van het gezapige Charlottenburg, pionierende West-Duitsers die party's vieren in de Daimler-toren op de Potsdamer Platz – het zijn satirische portretten in een roman over het leven aan de andere zijde van de verdwenen Muur.

Schneider (59) is een West-Berlijner. Hij werd geboren in Lübeck en woont al bijna veertig jaar in Berlijn. Schneider is een oude bekende in de Duitse literatuur, hij maakte het boek Lenz over het levensgevoel van de intellectuelen na de mislukte revolutie in 1968. Hij schreef scenario's voor de films Messer im Kopf ('78), Mann auf der Mauer ('82) en, samen met regisseur Margarethe von Trotta, Das Versprechen ('94). In de jaren zestig was hij studentenleider. Later schreef hij speeches voor SPD-politici.

Zelf is hij nieuwsgierig naar het leven van zijn oostelijke stadsgenoten. ,,Dat kan ik van de meeste Wessies niet zeggen.'' Vele West-Duitsers mijden het land van de vroegere communistenleider Erich Honecker. Veertig procent van de Wessies is sinds de val van de Muur nooit in het oosten geweest, zo blijkt uit een recente enquête van het onderzoeksinstituut Dimap uit Bonn. De Oost-Duitsers daarentegen zijn geïnteresseerd in het Westen. Slechts twaalf procent van hen was nog nooit in West-Duitsland.

Peter Schneider is verbaasd over zijn land. ,,We maken ingrijpende veranderingen mee'', zegt hij in een café bij de Kurfürstendamm, in het Westen van de stad. ,,Berlijn ondergaat een enorme omwenteling. Er zit een grote energie in deze stad. De snelheid waarmee gebouwd wordt en de bedrijvigheid waarmee nieuwe initiatieven ontstaan zijn indrukwekkend. Elk ander land had tien jaar meer nodig gehad om dit van de grond te krijgen.''

Hij constateert dat de Berlijners weigeren dit alles waar te nemen. ,,Velen doen, alsof er niets gebeurd is. Mensen zijn nog steeds verward, alsof ze een grote schok hebben beleefd. Dat geldt voor beide delen van de stad.'' Tien jaar nadat de Oost-Berlijners op weg naar de vrijheid een gat in de betonnen muur sloegen om door de West-Berlijners te worden omarmd, mag de Muur spoorloos zijn verdwenen – mentaal staat hij nog recht overeind.

,,Het stukslaan van de Muur in de hoofden zal langer duren dan een sloopbedrijf nodig heeft voor het afbreken van de zichtbare Muur'', voorspelde Schneider in zijn essayistische vertelling Der Mauerspringer uit 1982. Dat is een verhaal over uiteenlopende Berlijners die op vele manieren proberen de kilometers lange Muur met zijn 260 uitkijktorens te overwinnen. Walter Bolle bijvoorbeeld, wil een illegale mars tegen de Muur organiseren. En Herr Kabe, een werkloze bijstandsontvanger, presteert het tot vertwijfeling van grensbewakers en psychiaters 15 keer vanuit het Westen over de Muur te springen – puur uit nieuwsgierigheid naar het oosten.

In Schneiders werk staat de deling centraal. Was de Muur het enige dat de twee Duitslanden verbond? Zou de ontmanteling het geloof in de hereniging vernietigen?, vroeg hij zich eind jaren tachtig in The New York Times af. En, beweerde hij, het eerste wat de Duitsers zouden ontdekken als de Muur werd neergehaald, zouden de verschillen zijn, niet de overeenkomsten.

Het is allemaal uitgekomen, stelt Schneider vast. Hem frappeert de mismoedigheid, de humeurigheid van de Berlijners in beide delen, en het volledig ontbreken van optimisme over de toekomst. Schneider schrijft het cynisme over de in opbouw zijnde stad toe aan de seelische Wunde, die de Duitsers tot in lengte van dagen zal achtervolgen. Het half verwerkte verleden, dat Hitlers Derde Rijk en de holocaust hebben achtergelaten.

,,Er is geen gezond zelfbewustzijn ontstaan, geen evenwichtig nationaal gevoel. Elk idee ontbreekt, dat het oké is Duitser te zijn. Niemand durft openlijk trots te zijn op wat deze stad presteert''.

Schneider neemt talloze paradoxen waar: ,,Aan de ene kant zijn we een grote exportnatie, de tweede ter wereld na Amerika. Tegelijkertijd zijn we bezig twee heel verschillende landen te integreren. Maar daarop worden we niet aangesproken. Zodra je in het buitenland komt, word je gemeten aan je houding tegenover de holocaust. Mensen zien je slechts als representant van een problematisch volk.''

,,Wij Duitsers moeten ons voortdurend schuldig voelen. Omdat we Duitsers zijn. Intussen zijn we aanbeland bij de derde naoorlogse generatie, die niet eens meer weet waarom ze zich schuldig zou moeten voelen. Dat is een absurde situatie. Wij Duitsers mogen niet vanuit het positieve leven, maar niemand kan uitsluitend vanuit het negatieve bestaan.''

De hysterie om het holocaust-monument voor de vermoorde joden in Berlijn, heeft aangetoond hoe diep het zelfbewustzijn van de Duitsers is beschadigd. Natuurlijk moet er een monument voor de herinnering aan de holocaust komen. ,,Maar waarom moest de Berlijnse Muur na 1989 radicaal worden weggehaald'', vraagt hij zich af. Alsof het jongste verleden geen discussie behoeft. ,,De Muur was onze Statue of Liberty. Ze was niet mooi. Maar haar val symboliseerde de Zivilcourage, de burgerlijke moed van de Oost-Duitsers. Dat mogen we toch ook herdenken?''

Velen in het oosten zijn gekwetst. Bij het herenigingsverdrag in 1990 zijn grove fouten gemaakt, zegt Schneider, zoals de teruggave van DDR-bezit aan oorspronkelijke eigenaars. Een thema, dat in Eduards Heimkehr een centrale rol speelt. In zijn speurtocht naar de geschiedenis van zijn `nazi'-erfenis, zoals de krakers zijn huis noemen, ontdekt Eduard dat zijn grootvader, die het pand in 1933 verworven heeft, geenszins een met nazi's heulende man was.

Net als de legendarische ondernemer Schindler, blijkt zijn opa een moedige helper van vervolgde joden te zijn geweest. Het huis had hij eerlijk van zijn joodse geliefde gekocht. Maar omdat de vorige eigenaars joden waren, kon de erfenis weer even snel ongedaan worden gemaakt, aangezien ook deze woning onder de regeling voor de teruggave van DDR-volksbezit viel.

,,Uiteraard moet de schade aan joden worden vergoed'', vindt Schneider. ,,Voor hen moet een uitzondering worden gemaakt''. Maar het feit dat veel DDR-volksbezit aan de rechtmatige eigenaar diende te worden teruggegeven, was pijnlijk: ,,Zulk overwinnaarsgedrag, zulke Siegergesten, zijn vreselijk. Miljoenen Oost-Duitsers zijn op deze manier hun woning en hun datsja (buitenhuis) met volkstuin kwijtgeraakt.''

Kijk naar het bedrijfsleven, zegt Schneider. Het bedrijfsvermogen is in handen van de West-Duitsers, de bedrijfsleider is een Wessie, pas daaronder komen de eerste Oost-Duitse submanagers. Een haast koloniale structuur, vindt hij. En dan het gedrag van veel Wessies: zelfingenomen en arrogant.

Vanzelfsprekend zijn er ook voorbeelden van goede West-Duitsers, die naar het oosten zijn getrokken om bij de wederopbouw te helpen, zoals de oud-politici Lothar Späth en Klaus von Dohnanyi die ondernemer zijn geworden, en premier Kurt Biedenkopf van Saksen. Maar over de hele linie is het volgens Schneider ,,massaal verkeerd'' gegaan.

Hij vindt het niet verbazingwekkend dat Ossies en Wessies, nadat ze elkaar beter hebben leren kennen, verder van elkaar verwijderd lijken dan ooit. Ook de onverzoenlijke houding die de CDU en velen in de SPD tegenover de PDS aannemen, draagt volgens Schneider weinig bij aan toenadering. ,,Veel kiezers die op de PDS stemmen, waarin de vroegere communisten zich hebben verenigd, hebben niets met de DDR-dictatuur te maken. De PDS is een heuse oppositiepartij. In het oosten trekt zij bijna een kwart van de stemmen. Het is zinniger om met de PDS te praten dan de deur dicht te gooien.'' Uiteraard moet de partij afstand nemen van het verleden. Oud-Stasi's (de gevreesde veiligheidsdienst) in het zadel te houden zoals in Mecklenburg-Voorpommeren gebeurde, is natuurlijk ,,absurd''.

Het werkelijke debat over de integratie van Oost en West-Duitsland heeft nauwelijks plaats, zegt Schneider. Dat stoort hem. Hij vindt het ,,spookachtig'' dat het veranderingsproces in Duitsland vrijwel zonder intellectuele discussie gebeurt. ,,In Groot-Brittannië werd in de jaren negentig een groot debat gevoerd over het Thatcherisme: wat was goed, wat fout. In Duitsland had de SPD bij uitstek de discussie moeten stimuleren. Maar de sociaal-democraten hebben nauwelijks nagedacht over hun eigen rol tijdens de hereniging.''

,,De SPD liet de voormalige oppositie in de DDR toch altijd links liggen. Ook op economisch terrein komt het niet tot een serieuze discussie over een `derde weg', terwijl velen in Oost en West zich afvragen of er nog iets is overgebleven van de socialistische waarden waarin de mensen kunnen geloven.''

Bij de SPD vliegen moderniseerders en traditionalisten elkaar in de haren. ,,Eerst kwam Oskar Lafontaine met een nostalgisch model dat niets met de werkelijkheid te maken had'', zegt Peter Schneider. ,,Nu moet Schröder, een pure pragmaticus, laten zien of hij enige intellectuele ambitie heeft''.

,,We zijn het Heimatland van de politiek correcte massa'', verzucht hij. ,,We zijn nog erger dan Amerika. Het aantal Denkverbote, taboes, is groot. Kijk maar naar de SPD en de vakbeweging. Zodra iemand een andere mening heeft, staat daar een sanctie op. Ik weet waarover ik praat: je wordt meteen beschuldigd een nazi te zijn, een communist of een Grossdeutscher. Voor je het weet, ben je een Kriegstreiber. Elke vorm van liberalisme ontbreekt. Iedereen is bang in het verkeerde kamp terecht te komen.''

Volgens Schneider lijden de Duitsers het meest onder zichzelf: ,,Zodra er iets fout gaat, wordt erop los gehakt. Schröder is nog niet aan de macht, of iedereen valt over hem heen. Er is geen ruimhartigheid, en geen geduld. Oost- en West-Duitsers sluiten zich op in hun eigen wereld, terwijl ze over hun fouten zouden moeten debatteren.''

Peter Schneider is optimistisch. Uiteindelijk zal het lukken de mentale muur te overbruggen. In zijn roman construeert hij een omgekeerde ontknoping. Niet Eduard, maar de krakers worden uiteindelijk eigenaar van de erfenis in Friedrichshain. ,,We hoeven geen Amerikanen te worden die denken dat ze altijd winnen. Maar het zou wenselijk zijn als Duitsers eens van het idee afkomen, dat alles altijd tegenzit.''