Narcose op wielen

In het depot van Museum Boerhaave liggen talloze stukjes geschiedenis van de natuurwetenschap opgeslagen. Zoals een anesthesiemachine volgens Paul Bert.

IN NOVEMBER 1878 introduceerde de Franse fysioloog en politicus Paul Bert op een bijeenkomst van de Académie des Sciences een nieuwe methode voor het bereiken van anesthesie. Sinds de tandarts William Morton als eerste in 1846 in het Massachusetts General Hospital in Boston een patiënt met een kaakgezwel met behulp van ether volledig had verdoofd – `Gentlemen, this is no humbug', sprak chirurg John Warren na afloop van de operatie – was er flink geëxperimenteerd. Anesthesie mocht superieur zijn aan het geven van opium of rum, er waren ook nadelen. Vaak moest de patiënt braken zodra hij bij kennis kwam en het doseren van het anestheticum was weinig precies, met alle risico vandien.

Bert ging uit van stikstofoxide (N2) of lachgas. Dit gas was in 1772 door de Brit Joseph Priestley ontdekt, waarna landgenoot Humphry Davy aan het eind van de eeuw na inademing de verdovende werking opmerkte. Het probleem met lachgas was echter dat de patiënt alleen onder narcose raakte wanneer hij het gas puur inademde. Dus ging anesthesie hand in hand met verstikking, wat de toepassingsmogelijkheden sterk beknotte. De patiënt tijdens de operatie af en toe bij te laten komen was volgens Bert geen optie: `Toegepast op honden produceert zo'n afwisseling de meest deplorabele toestanden.' Zelf had hij een beter idee: de patiënt een mengsel toedienen van lachgas en lucht onder hoge druk. Omdat de patiënt op die manier evenveel lachgas binnen kreeg als in pure vorm bij normale druk, raakte hij opnieuw onder narcose – terwijl het bloed toch zuurstof kreeg.

Dat juist Bert deze oplossing aandroeg was niet toevallig. Eerder in 1878 was zijn magnum opus verschenen: La pression barométrique. In dat invloedrijke boek behandelde hij de effecten op het lichaam, in het bijzonder het bloed, van blootstelling aan over- en onderdruk. Experimenten in een drukkamer hadden Bert geleerd dat iedere diersoort een specifieke minimum zuurstofdruk nodig heeft om te overleven. Alleen de partiële zuurstofdruk telde. De hoogte van de totale druk, veroorzaakt door de combinatie van zuurstof met andere gassen zoals stikstof, deed niet ter zake.

Behalve op dieren experimenteerde Bert ook op zichzelf. Zo liet hij de lucht om hem heen wegpompen, om bij een druk van een halve atmosfeer vast te stellen dat zijn polsslag omhoog ging, hij hoofdpijn kreeg, duizelig werd, het hem zwart voor de ogen begon te zien, en dat hij moe en misselijk werd. Al die klachten verdwenen als sneeuw voor de zon zodra hij zuurstof inademde. Bergbeklimmers, ballonvaarders en (later) piloten deden er hun voordeel mee. Ook ontdekte Bert het mechanisme achter caissonziekte: een duiker die uit de diepte te snel opstijgt loopt het risico dat de stikstof, die onder hoge druk in zijn bloed is opgelost, vrijkomt in de vorm van levensbedreigende belletjes.

In 1879 opereerde de Parijse chirurg Labbé als eerste volgens de nieuwe methode. In een plaatstalen cabine werd eerst de luchtdruk opgevoerd van 75 tot 92 cm kwik. Daarna kreeg een twintigjarig, extreem nerveus meisje met een ingegroeide nagel via een kapje op het gezicht een mengsel toegediend van 85 procent lachgas en 15 procent zuurstof. Door de hoge druk raakte ze niettemin onder narcose, er volgde een geslaagde operatie en nadat het kapje was verwijderd kwam het meisje na een tikje op haar schouder probleemloos bij. Andere operaties, met een narcoseduur tot 26 minuten, verliepen al even succesvol. Zelfs kwam er een mobiele drukkamer voor tien tot twaalf personen, een plaatstalen narcose-auto met patrijspoorten die van ziekenhuis naar ziekenhuis reed. Het enige probleem was dat de temperatuur binnen snel opliep zodat chirurgen en assistenten zich, zwetend als otters, tijdens het opereren van jassen en vesten ontdeden. Toch vond Berts methode geen brede ingang. Een drukkamer met pomp was lang niet overal voorhanden en chirurgen vonden werken met lachgas onder druk maar omslachtig.

Ook Bert zelf keerde het lachgas de rug toe. In 1881 publiceerde hij in de Comptes Rendus een artikel waarin hij van chloroform, ether, amylene, ethylbromide en methylchloride de zone maniable aangaf: het interval tussen de minimumdosis voor het intreden van de narcose en de fatale dosis. In zijn onderzoek was het Bert opgevallen dat de fatale dosis steeds exact tweemaal de minimumdosis bedroeg. Bij chloroform was de marge 12 gram, verdampt in 100 liter lucht. Bert benadrukte dat alleen de concentratie in de ingeademde lucht telde. Met klem raadde hij chirurgen aan chloroform toch vooral gecontroleerd toe te dienen en de dosis niet af te leiden uit de hoeveelheid druppels die op het compres waren gesprenkeld.

Die controle kon worden bereikt met de hier afgebeelde anesthesiemachine, door Raphaël Dubois op aanwijzingen van Bert gebouwd. In een soort hoedendoos werd een afgemeten hoeveelheid lucht gepompt en een vaste hoeveelheid chloroform geïnjecteerd. Via een rubberslang werd het mengsel vervolgens naar een kapje op het gezicht van de patiënt geblazen. Door de zwengel te draaien herhaalde de cyclus zich kreeg de patiënt een continue stroom anestheticum toegediend. Ook dit apparaat bereikte, net als de lachgas-drukcabine, niet meer dan enkele ziekenhuizen. Bovendien liet de British Medical Journal in een editorial note fijntjes weten dat Bert louter paden betrad die J.T. Clover al een kwart eeuw eerder had bewandeld. Bert zelf zei het anesthesie-onderzoek in 1886 vaarwel om in Vietnam de Franse koloniale belangen te gaan behartigen. Zijn invloed was groot, zijn verblijf van korte duur: enkele maanden na aankomst bezweek hij in Hanoi aan dysenterie.

Dit is deel 9 van een maandelijkse serie over voorwerpen uit het depot van Museum Boerhaave. Het voorwerp staat voor de gelegenheid in het museum opgesteld. Adres: Lange St. Agnietenstraat 10, Leiden. Geopend di t/m za 10-17u, zo 12-17u.