Luchttuinen

De rue Piat, in het 20ste arrondissement van Parijs, zou in zwartwit zijn als zij in een film was. Het is een saaie, nogal verlopen straat, met een café zonder naam en een vrouw die uit een raam smekend roept naar een man op het trottoir: `Viens, viens, je te dis.' De man kijkt terug naar haar en antwoordt: `Non.' Verder niets, alleen maar: `Non.' Aan het eind van de straat is een soort uitkijkpunt, een terras met zuilen, en vandaar een spectaculair uitzicht over heel Parijs.

Vlak onder het terras ligt een van de opwindendste nieuwe parken van Parijs, het Parc de Belleville. Het is ook het hoogste, acht meter hoger dan Montmartre, en het tuimelt bijna verticaal de heuvel af, in wat eruitziet als de nachtmerrie van een tuinarchitect. Het heeft veel paden in een soort spinnewebvorm en massa's trappen, en water dat van boven af in een reeks fonteinen naar beneden stort, waar grote vijvers zijn. Er is een kinderspeelplaats met houten toestellen, het Musée de l'Air, met informatie over de kwaliteit van de lucht in Parijs (niet goed), en het park is doorzeefd met bronnen die lang in gebruik zijn geweest om de stad van water te voorzien.

Op vierenhalve hectare staan vijfhonderd bomen van dertig verschillende soorten, esdoorns, catalpa's, honingbomen, paulownia's, magnolia's, judasbomen. Er is ook een wijnstok, die eraan herinnert dat er in het verleden hier op de heuvel van Ménilmontant druiven werden geteeld.

Vanaf de top kun je kiezen uit verschillende wegen om af te dalen, waarvan één een totaal met bruidssluier overgroeide tunnel is. Als je daarnaar kijkt, is het of je nu pas beseft waar bruidssluier eigenlijk voor is. Hier kan hij naar hartelust tieren, het maakt de tunnel alleen maar indrukwekkender. Er staan grote groepen bamboe bij de fonteinen, en verscholen in elk overgebleven hoekje nog meer heesters en planten, allemaal even interessant. Zelfs de eenjarigen zijn fraai, tabaksplanten en cosmea, geen begonia's of vlijtige liesjes. Er staan acanthussen, hydrangea's, hibiscus, azalea's, een buxus, een mooie mengeling van altijdgroen en loofverliezend, al met al een prachtig afwisselende beplanting.

Het Parc de Belleville is ontworpen door François Debulois en de beplanting door een anoniem genie van zijn bedrijf; het is in 1988 geopend. Ik zag het voor 't eerst op een warme avond, in de schemering, en vond het betoverend. Een paar dagen later, 's morgens, regende het licht — de kwaliteit van de lucht was erop vooruitgegaan — en al rondslenterend hoorde ik luid niezen van achter de bamboe. Een slak was halverwege een pad; ik had hem graag naar de overkant geholpen. Parken in Parijs zijn sterk veranderd; de tuinrage heeft Frankrijk laat, maar hard getroffen.

Een andere luchttuin beslaat meer terrein (6,5 hectare) maar heeft slechts één pad. Dit is de Promenade plantée, een oud spoorwegviaduct dat is omgetoverd in een heel langgerekt, dun park van vierenhalve kilometer. Het begint bij de Bastille (de spoorlijn ging van de Bastille naar de voorsteden en werd in 1969 gesloten) en loopt naar het Bois de Vincennes. Het is zeker indrukwekkend; het idee een voormalige spoorlijn te veranderen in een hangende tuin is briljant.

Wandelen boven straatniveau is een wonderlijke sensatie, maar was op de dag dat wij het deden, misschien wel de heetste dag van het jaar, minder aangenaam. Nog dichter bij de brandende zon voelden wij ons als sardientjes op een rooster; er is weinig schaduw en alleen hier en daar een kraantje met drinkwater. Gelukkig loopt de Promenade door de Jardin de Reuilly, waar wel schaduw is. De beplanting is hier veel minder origineel dan in het Parc de Belleville, vol betrouwbare, saaie struiken, zoals cotoneasters en laurier. Het is het werk van de stad Parijs en treft als een gemiste kans, alsof je gympen aanschiet bij je pakje van Chanel.

De laatste luchttuin is het moeilijkst te vinden, de Jardin Atlantique boven het gare Montparnasse. In het station geen wegwijzer erheen; we vroegen ernaar bij de informatiebalie en werden verwezen naar een trap op perron 1. Niet echt waar je een tuin verwacht; mijn dochter moest denken aan perron 9 ¾ op King's Cross, waar de treinen vertrekken naar de heksenschool in de Harry Potter-boeken. Maar daar was het wel, letterlijk een hangende tuin boven de spoorlijnen. Door openingen konden we de mededelingen en de treinen zelf horen.

Komend van deze trap bevonden we ons op de allée du Chef d'Escadron de Guillebon (1909-1985) die chef van de generale staf was onder generaal Leclerc. Er was ook een allée de la 2e Division Blindée, een monument voor generaal Leclerc zelf en het Musée Jean Moulin. Evenals de andere twee parken heeft deze Jardin Atlantique een sterke eigen sfeer, een combinatie van het station, lanen die verwijzen naar de Libération en het Résistance, en dan die zeldzame ligging, zwevend tussen hoge moderne gebouwen.

Ook hier was de beplanting bijzonder, met een grasplantsoen, een en al contrast van hoogte en kleur, een watertuin, grote gazons met een prachtige waterpartij om in te spelen, massa's lavendel en een versie van de Ryoan-ji tempel, maar dan voor kinderen: een zandbak met stenen en zand dat duidelijk nog maar kort tevoren was aangeharkt. Tussen de mensen die op het gras lagen - een, diep in slaap, omklemde nog zijn mobiele telefoon - stonden bomen: aan de ene kant de Europese soort, ertegenover de oosterse of Amerikaanse tegenhanger: platane d'Occident tegenover platane d'Orient, marronnier jaune tegenover marronnier d'Inde, tilleul des bois tegenover tilleul d'Amérique.

Allemaal hadden ze met geschiedenis te maken, deze parken, met heden en verleden, de oude wereld en de nieuwe. Het Parc de Belleville is gebouwd op de rue Vilin, de straat waar de schrijver Georges Perec als kind woonde en waarvandaan zijn moeder en grootvader werden gedeporteerd. Later bracht hij elk jaar opnieuw een bezoek aan de straat om de geleidelijke verwoesting ervan vast te leggen. De straat is inmiddels verdwenen, de huizen zijn gesloopt, maar de paden in het park volgen nog steeds hetzelfde tracé.