In het Balkanmoeras

Laten we eens aannemen dat de socialistische regering van Andreas Papandreou, die in het jaar van de toetreding, 1981, aan de macht kwam, had volhard in haar Derde-Wereldachtige populisme en daarmee Griekenland had gediskwalificeerd als kandidaat voor de EU. Het volgende zou zijn gebeurd: bij ontstentenis van de economische vruchten van de EU zou Papandreou gedwongen zijn particuliere ondernemingen te nationaliseren en daarmee de niet-produktieve publieke sector enorm te vergroten. De handelsbalans zou verder in het rood zijn gezakt. De private sector zou een generatie van competitieve zakenlieden hebben gemist die nu is opgegroeid in een omgeving die is gevormd door de regels van de EU.

De EU heeft ook effect gehad op het politiek leiderschap in Griekenland. Papandreou was nog een produkt van de burgeroorlog. De huidige Griekse premier, Costas Simitis, en sommige van zijn ministers, zijn daarentegen kinderen van de EU. Zou Papandreou's vorm van extremisme nog hebben bestaan als Griekenland buiten de EU was gebleven? De verdeeldheid van de burgeroorlog aan het einde van de jaren tachtig was sowieso uitgestorven, denk ik, maar de overgang naar een nieuw soort PASOK-leiderschap had een populistischer prototype opgeleverd.

Denen mogen het EU-lidmaatschap bediscussiëren, Noren kunnen het lidmaatschap weigeren. Grieken kunnen zich een dergelijke luxe niet veroorloven in hun groezelige omgeving. Het Europees acculturatie-proces is waarschijnlijk de meest waardevolle eigenschap die Griekenland had moeten ontberen als het in zijn Balkan-omgeving was achtergelaten. Ondanks dat werd de Griekse buitenlandse politiek toch al tussen 1992 en 1995 het Balkanmoeras ingetrokken, voordat ze zich van regionale conflicten kon losmaken.