Het wordt stil in het regenwoud

Met de ontginning van het regenwoud zijn ook de jagers gekomen. Ze schieten en strikken de wildstand in Centraal Afrika naar een dieptepunt. Natuurbeschermers zoeken een onverwachte bondgenoot tegen de bushmeathandel: hun oude vijand, de houtkapbedrijven.

Een jongen in een gehavend voetbalshirt loopt met een rond ding onder zijn arm. Het is de schedel van een gorilla. Tussen stapels handzaam afgeplatte en gehalveerde gerookte apen liggen ledematen van uiteenlopende antilopen en zwijnen, stukken olifantenhuid, bergen slangen en krokodillen.

Dit is de vleesmarkt van Douala, een hectische havenstad in Kameroen. Het terrein is zo groot als van de Rotterdamse zaterdagmarkt. Er wordt doorlopend nieuwe waar aangereden in gammele busjes.

Daar ligt een nijlvaraan, een enorm reptiel, met op de rug gebonden poten in het zand en het vuil. Gisteren lag hij er ook al, maar hij leeft nog. Als iemand belangstelling toont voor de levende dieren, begint de koopman of -vrouw de verkooptrucs. Zo'n varaan of een verstilde schildpad zand in de ogen schoppen bijvoorbeeld, om te laten zien dat het dier leeft en dus vers is. Of een jonge, tobberig ogende aap aan de kapotte achterpoot omhoog houden – grapje.

,,Kameroen eet zijn wilde dieren op.'' Het is geen natuurbeschermer die dit zegt, maar de marktmeester. Hij heeft me van de markt geplukt omdat ik foto's maakte, nu zitten we al een uur in een patstelling in zijn warme kantoortje. ,,Het is dom, want er blijft niets over.'' Het probleem is zelfs nog breder dan de toezichthouder stelt; heel westelijk Centraal Afrika eet zijn wilde dieren op.

Nu steeds meer organisaties werkers het veld in hebben gestuurd, komen de cijfers boven water. Onlangs analyseerde de Ape Alliance in Cambridge de stand van zaken in westelijk Centraal Afrika. Er liggen nu tachtig bruikbare rapporten uit Kameroen, Centraal Afrikaanse Republiek, de Democratische Republiek Congo (voorheen Zaïre), Congo Brazzaville, Equatoriaal Guinea, Gabon, Ivoorkust, Liberia en Nigeria. De samenvattende conclusie: de handel in bushmeat decimeert de wildstand. Natuur en platteland worden leeggehaald, om aan de vraag naar wild vlees in de steden te voldoen.

In noordelijk Congo Brazzaville wordt ieder jaar zo'n zeven procent van de chimpansee- en gorillapopulatie gedood. In een jaar tijd telden onderzoekers op de bushmeatmarkten van Brazzaville vijftienduizend karkassen, waaronder die van bijna driehonderd chimpansees. Andere beschermde Afrikaanse soorten, van reuzenschubdieren tot de soms vertederend kleine bosolifanten, hebben er door die handel ook een bedreiging bij gekregen. Drillen en mandrillen staan er slecht voor, en ook tot voor kort gewone apensoorten die je zelfs dicht bij dorpen aan kon treffen, staan nu op het steeds langere lijstje met bedreigde soorten. Als de smaak voor bushmeat zich zo blijft verspreiden over equatoriaal Afrika, zeggen natuurbeschermers, staat de toekomst voor alle primaten op het spel.

Antilopen en dwergherten staan ook zwaar onder druk. Onder de roofdieren moeten vooral de luipaarden en goudkatten de toegenomen jacht en stroperij bezuren. Maar zelfs mangoesten worden gegeten. Reptielen als dwergkrokodillen zijn op veel plaatsen al verdwenen. Sommige officieel beschermde nationale parken worden door kenners inmiddels schertsend botanische tuinen genoemd. De bomen staan er mooi bij, maar de dieren ontbreken, of laten zich schuwer dan ooit vrijwel niet meer zien. Het wordt stiller in Centraal Afrika.

Meer dan de helft van de gejaagde dieren wordt gevangen in strikken. De strik van natuurlijke vezels, waar een onbedoeld grote vangst zich uit kon losrukken, is vervangen door die van overal makkelijk te verkrijgen gewonden staaldraad, als van remkabels. Oude strikken vergaan niet meer. Ze verwonden en doden zonder onderscheid en de letterlijke overkill is behoorlijk. Soms vertellen vallenzetters met een lach vol zelfspot dat ze te veel hooi op de vork nemen. Ze zetten wel strikken ver van hun basiskamp, maar bereiken die daarna nog zelden. En het vlees rot in het tropenklimaat snel: tien tot soms meer dan negentig procent van de gevangen dieren levert daardoor niets op. Wild vlees vormt niettemin een miljoenenmarkt. In Gabon, bijvoorbeeld, vertegenwoordigt de handel nu een openbare marktwaarde van per jaar meer dan twintig miljoen Amerikaanse dollar. Dat is dan nog zonder de vrijwel volledig ondergrondse directe levering aan restaurants en internationale handelaren.

In Liberia, dat ironisch genoeg vanaf 1988 enige tijd een wet kende tegen het gebruik van wilde dieren, overstijgt de handel in wild vlees de opbrengsten van de houtkap. Liberia heeft zo'n hoge consumptie van wild vlees, dat de behoefte uitstraalt naar de jachtactiviteit in naburige landen, zoals Ivoorkust. Liberiaanse jagers die door hun apen heen zijn, jagen in Sierra Leone. Vlees uit Kameroen duikt in buurlanden op. Equatoriaal Guinea heeft een flinke bushmeatroute naar Libreville in Gabon.

Safari

Het begon met de wegaanleg door kapmaatschappijen, die diep doordrongen in voorheen afgesloten bosgebieden. Diezelfde wegen boden ook commerciële jagers en handelaren in vlees van wilde dieren gemakkelijk toegang. Aanvankelijk bedienden die vooral de werknemers van kapmaatschappijen, maar al snel vervoerden de af en aan rijdende vrachtwagens met gevelde boomstammen ook vlees naar de grote steden. Daar ontstond smaak voor bushmeat, dat onder meer in specialiteitenrestaurants werd opgediend. De vraag naar wilde dieren nam toe – zij worden nu overal vandaan gehaald, niet alleen uit resterend regenwoud.

In hoofdstad Yaoundé van Kameroen wordt op het spoorwegstation per dag een ton aan bushmeat – gerookt en dus licht – uitgeladen. ,,Het vlees dat je daar op het station ziet, komt uit mijn gebied'', zegt Martin N. Tchamba. Hij is wildbioloog en projectleider voor het internationale Wereldnatuurfonds (WNF) voor wildbescherming in de noordelijke savannen van Kameroen. ,,Maar hooguit vijf procent van het vlees blijft in de streek; de rest verdwijnt via de treinverbinding snel over honderden kilometers naar de steden in het zuiden. Stroperij is ons grootste probleem.''

Tchamba wijst er op dat hier geen uitgesproken boeven aan het werk zijn. ,,Zelfs werkloos geraakte academici begeven zich in de bushmeathandel. Ze reizen naar het noorden, kopen een partij vlees op voor tweehonderd gulden en verkopen die in het zuiden voor negenhonderd gulden.''

Enigszins jaloers kijkt Tchamba naar de situatie in safari-jachtblokken die in zijn gebied door Europeanen worden geëxploiteerd. Hij heeft er van alles op aan te merken, bijvoorbeeld dat de plaatselijke bevolking onvoldoende meeprofiteert en geen ruimte krijgt voor landbouw. Maar de uitbaters hebben hun zaken redelijk op orde: bescherming tegen stroperij houden zij van meet af aan in eigen hand. Dus lopen daar nog allerlei soorten rond die elders allang zijn verdwenen. Jagers leggen voor een te schieten reuzeneland-antilope of olifant grif 10.000 dollar neer. Tchamba: ,,Van een enkele Kameroense grootgrondbezitter krijgen we nu het verzoek: bekijk eens hoe wij hetzelfde kunnen bereiken. Dat beschouw ik als een groot succes, men wil verdienen aan wildbeheer.''

In de gebieden die Tchamba onder zijn hoede heeft, zijn antistroperijbrigades opgericht, waarbij zoveel mogelijk de plaatselijke bevolking betrokken is. En daarnaast zoeken natuurbeschermers steun bij politici en justitie. Er zijn al successen: twee jaar geleden kreeg een politievrouw die onderdak bleek te verlenen aan een professioneel stropersteam, slechts drie maanden voorwaardelijk als straf. Twee stropers die twee kobantilopen schoten, kregen onlangs drie jaar.

Maar er is nog een lange weg te gaan. Op de handelaren is vooralsnog weinig greep. De trein naar het zuiden bevat nog volop vlees en de handelaren genieten bescherming van militairen. In het zuiden kruisen twee lijnen elkaar: die van de vleesaanvoer uit savanne- en cultuurgebied, en die uit de regenwoudgordel.

Wilde oosten

In regenwoudgebied leken houtkapbedrijven altijd de grote boosdoeners. Natuurbeschermers wennen er langzaam aan, dat ze zich eigenlijk drukker moeten maken om de gewone man die die bedrijven volgt. Het aangetaste bos dat na doorgaans selectieve houtkap achterblijft, biedt veel diersoorten nog aardige leefruimte. Maar de aangelegde infrastructuur, met snel vervoer en menselijke instroom, zet de boel op zijn kop, voor mens en dier.

In het `wilde oosten' van Kameroen heerste tot voor kort volstrekte anarchie, te midden van door houtkap opengelegd regenwoud, kapwegen met langsrazende houttrucks en boomtowns die uit de grond gestampt werden waar talloze nieuwkomers een onderkomen vonden. Over stoffige wegen denderen vrachtwagens met boomstammen naar de steden en keren terug met alleen de eigen aanhanger als vracht. Het is een doorlopende carrousel, die volop gebruikt wordt voor vervoer van bushmeat. Soms liggen de dieren open en bloot tussen de stammen, soms zijn ze verstopt.

Leonard Usongo is projectleider van het WNF voor het Lobeke-gebied in Zuidoost-Kameroen, dat onderdeel moet worden van een vanuit drie landen beschermd bosgebied. Een deel van het roemruchte regenwoud van het Kongobekken kan zo bewaard blijven.

De overheid leek niet bereid om tot een vorm van toezicht te komen en twee jaar geleden wilde het Wereld Natuur Fonds dan maar zelf wildwachters aanstellen. Nu is het toch in samenwerking met de overheid gebeurd. Usongo: ,,We trainen mensen uit de plaatselijke gemeenschappen als gameguards. We maken jagers, handelaren en vervoerders duidelijk dat ze gearresteerd kunnen worden en confisqueren strikken en geweren. Truckchauffeurs en hun bazen laten we weten: inbeslagname geldt niet alleen voor aangetroffen vlees, maar ook voor de bijbehorende truck met houtlading.''

Twintig man voor toezicht op 600.000 hectare bosgebied is niet veel. Maar Usongo en zijn collega's grepen naar hetzelfde wapen dat hier op smeergelden beluste militairen zo graag toepassen: roadblocks. Vlees dat op trucks verborgen ligt, wordt in beslag genomen en voor een vriendenprijsje plaatselijk geveild. ,,We hebben vele zware en nog veel meer gewone geweren in beslag genomen. Per maand verwijderen we zo'n driehonderd strikken uit het bos. De populatie dieren reageert daar al op, en wordt minder schuw. Diep in het bos kunnen we weer langs tracks lopen en gorilla's en olifanten zien, en dat was lang geleden.''

Samenwerking met de plaatselijke bevolking gebeurt bewust. ,,De Baka-pygmeeën, bijvoorbeeld zijn afhankelijk van het bos voor overleving, maar zij werden overspoeld door nieuwkomers die de kapmaatschappijen volgden. De Baka en de andere oorspronkelijke jagers van het gebied ontzien we, zolang ze jagen voor de eigen vleesvoorziening. Weliswaar gebruiken zij ook strikken, maar haast nooit verder dan twee kilometer van het eigen dorp.''

Men is flink geschrokken van het plotselinge toezicht. Langs de weg van Kika, tot voor kort omrand door geïmproviseerd gebouwde hutten van jagers die hun al dan niet levende waren uitstalden in het door logging-trucks opgeworpen stof, heerst nu betrekkelijke rust. Stroperskampen zijn verdwenen. Usongo: ,,Natuurlijk komt een deel in ander beschermd gebied terecht, waar geen toezicht is. Maar veel jagers trekken toch ook naar grotere plaatsen, waaromheen allang niets meer te halen is. Ze zijn bang. En de mensen van MINEF, de Kameroenese bosdienst waarmee we samenwerken, zijn onder de indruk: ze zien dat de situatie is te beïnvloeden en zijn daar enthousiast over.''

Gorillatoerisme

,,Het is makkelijk om de kleine man te pakken'', vindt Mark van der Wal. De wildecoloog reageert met reserve op de positieve berichten uit Lobeke. Hij bracht de afgelopen twee jaar door in vergelijkbaar regenwoudgebied, in en rond het Dja-reservaat in het zuiden van Kameroen. Daar bestudeerde hij voor De Stichting De Gouden Ark en het Nederlandse Comité voor IUCN het voorkomen van grote zoogdieren, zoals gorilla's en bosolifanten. Ook probeerde hij zicht te krijgen op de bedreiging die bushmeat voor deze dieren is. Die blijkt zeer reëel.

In Dja zijn met geld van de Europese Unie parkwachten aangesteld, maar Van der Wal is niet onder de indruk. ,,Het is ridicuul wat er gebeurt. Jagers die in het bos met een geschoten gorilla worden betrapt, worden gestraft. Als er, zoals laatst, een nieuwe gouverneur wordt aangesteld voor het gebied, komt die op bezoek. Wat krijgt hij voorgezet bij de sous-prefect? Gorilla. Daarna bezoekt hij een dorp. Wat krijgt hij? Gorilla. Iedereen weet dat gorillajacht eigenlijk verboden is. Het is makkelijk om de kleine man aan te pakken – een stuk makkelijker dan de overheid op haar verantwoordelijkheden aan te spreken.''

,,Het punt is natuurlijk ook: wie betaalt het salaris van parkwachten? Internationale organisaties werken per definitie projectmatig: vijf jaar en dan houdt het weer op. En wat doe je dan met de parkwachten? Zij hebben de kennis, de contacten. Bij internationale bemoeienis zie je bovendien dat links en rechts op ministeries flink betaald wordt. Als dat ophoudt – is dan het enthousiasme voor natuurbescherming nog hetzelfde?''

Van der Wal gelooft in inspelen op eigenbelang van de lokale bevolking. ,,Binnenkort begin ik met een klein project – we gaan kijken of we een groep gorilla's kunnen laten wennen aan toeristen. Gorillatoerisme is een goudmijn aan het worden. Als je ervoor kunt zorgen dat een deel van de opbrengst naar lokale dorpen gaat, is dat een reden om in levende gorilla's te gaan doen in plaats van dode. Als er geld te verdienen is, is men er snel bij – zo reëel moet je zijn.''

,,Gorilla's worden hier nauwelijks met strikken gevangen, maar vooral met hagelpatronen geschoten. Een geschoten zilverrug, de leidende man die zijn groep kwam verdedigen, is in Dja zelf 45.000 CFA waard, zo'n honderdvijftig gulden. Eenmaal in de stad beland, brengt hij ten minste het tienvoudige op, als delicatesse voor de elite. Tegen zulke jacht en het serveren van dat soort bushmeat kun je je nog keren.''

De oude vijanden van de natuurbeschermers zijn wellicht onmisbare partners: de houtkapbedrijven. Daar waar Afrikaanse overheden doorgaans schitteren door afwezigheid als handhaver van de eigen jachtwetten kunnen de grote bedrijven controle uitoefenen op activiteiten in hun concessiegebied. Sommige lijken daarvoor te voelen, omdat zij het verdwijnen van wilde dieren ook met lede ogen aanzien. Anderen blijken gevoelig voor aandacht van internationale media.

Oude vijanden als nieuwe partners? Mark van der Wal streeft het zonder meer na. ,,Onze eigen mogelijkheden zijn beperkt en de overheid is gewoonweg niet aanwezig. Ik ben het niet eens met de natuurbeschermers die kapbedrijven zwartmaken. Je kunt niet alles in hun schoenen schuiven: het is ook de overheid die het laat afweten.''

Ook Leonard Usongo gelooft in een alliantie met bosbouwers. ,,De Wereldbank en WNF zeggen nu: verleen juist grótere houtkap-concessies, en niet overal kleine stukjes. Houtwinning veroorzaakt nu te veel schade bij het verslepen van de bomen naar de weg. In een groter gebied met een goede infrastructuur kun je veel betere, duurzamere methoden ontwikkelen.''

Ook is Usongo voor een intensievere houtindustrie in Afrikaanse landen zelf. ,,Nu verdwijnt vrijwel al het hout onverwerkt in de vorm van boomstammen naar het buitenland. Zo'n verandering kan veel werk creëren, en dus alternatieve inkomsten voor huidige jagers en stropers.''

En de afwezige overheid? Op de in maart van dit jaar gehouden Top van Yaoundé, legden de staatshoofden van vijf Afrikaanse landen zich vast op afspraken over regenwoudbescherming in het Congobekken. Een van de verklaringen van de regeringsvertegenwoordigers van Gabon, de Centraal Afrikaanse Republiek, Congo Brazzaville, Equatoriaal Guinea en gastland Kameroen behelsde een gezamenlijk voornemen. Men wil zich inspannen om grootschalige stroperij uit te bannen, samenwerkend met economisch betrokkenen en de bevolking.

Voor sommige natuurbeschermers is hiermee een ommekeer bereikt. Andere, meer sceptische geesten willen het eerst eens zien. Volgens Leonard Usongo is de regering van Kameroen inmiddels wel degelijk echt bezorgd. ,,Men neemt de zaak nu serieus. Vooral omdat er zoveel vlees verspild wordt. Individuele stropers zetten honderden strikken uit, maar lopen maar een klein deel regelmatig af. In ieder geval is men zich er eindelijk van bewust: er gaat veel verloren.''