Gehakt

Het is een mooie nazomerdag, ik rijd wat binnendoor, langs de weg worden rozenbottels geplukt, en opeens besef ik wat ik almaar mis in de voormalige DDR: jonge volwassenen. Nergens in de dorpen zie ik nog mensen tussen de 20 en de 35.

Na de Tsjechische grens is dat direct voorbij. De grensovergang is één grote markt van koperwerk, drank, manden en Derde-Wereldtassen, er staat een dozijn snelweghoeren, en daarna volgt het ene industriële monument na het andere. Het moet een mooie omgeving zijn: het doodgereden wild neemt zienderogen toe, veel egels, een haas en zelfs een platte vos, de kop nog fier omhoog. Een regenbui klettert op het dak, de zon maakt felle vlekken op de heuvels, en dan ben ik in Praag.

Het nieuwe oude Praag is schitterend. Dankzij de communisten die, zoals overal, nauwelijks energie in de historische stad staken en dus de boel ook niet verpestten. Dankzij ook het postcommunistische stadsbestuur dat, hoe arm ook, de innerlijke beschaving bezat om de bouw- en reclameregels streng te handhaven. Een hoerenstraat als het Damrak komt in Praag niet voor – en trouwens ook niet elders in historisch Europa.

Maar nergens zag ik ook zo'n menigte geprakt, gemalen, geschud en tot gehakt bereid worden als hier. De hele stad ruikt naar verf en verse stuc, de Tsjechen zijn massaal gevlucht naar hun weekendhutjes, en de straten zijn enkel nog van de kroeghouders, van de studenten die in 18de-eeuwse kostuums nepconcerten verkopen, en van ons, Hollanders, Duitsers, Amerikanen en Zweden. Eurodisney ligt niet meer bij Parijs, het ligt aan de Moldau.