Een onvoldoende voor informatie

De keuze voor een beleggingsfonds lijkt veel op de aanschaf van een pakje boter. Soms is dat de koper te verwijten, vaak verschaft de verkoper onvoldoende informatie.

Zou u een nieuwe auto kopen louter op basis van een prijslijst? Natuurlijk niet. U shopt eerst langs autodealers, zeurt ze het hemd van het lijf, maakt proefritten, beslist over accessoires en garanties, bedingt korting, en dan pas kiest u. Gek genoeg verloopt het aankoopproces bij beleggingsfondsen – vaak een grotere investering – stukken minder grondig. Deels is dat eigen schuld, want veel mensen weigeren zich in cijfers te verdiepen. ,,Maar wie dat wel wil, lukt het niet'', weet drs. Julian Ritsema, financieel-economisch stafmedewerker van de Vereniging van Effectenbezitters (VEB). Het afgelopen voorjaar onderzocht de VEB de informatieverstrekking van vijftig beleggingsfondsen. Dat stemde niet vrolijk; de voor beleggers superessentiële fondsgegevens als doelstelling, strategie, beleggingskeuzes, kostenstructuur en fondsopbouw blijken bij de meeste fondsen verscholen achter dik en gewapend matglas.

De algehele informatieverstrekking door fondsen waardeerde de VEB op gemiddeld een 4,7, een dikke onvoldoende. ,,Daar moet en gaat verandering in komen'', verwoordt Ritsema de opinie van de VEB. Ten opzichte van de Verenigde Staten en Engeland kent Nederland nog weinig regelgeving rond informatieverschaffing door beleggingsfondsen, al wordt eraan gewerkt. Op stapel staat een wetswijziging in de Wet toezicht kredietwezen waardoor geldbedrijven verplicht kunnen worden om consumenten te informeren over bijvoorbeeld kosten, rendement, risico, klachten- en garantieregelingen. Verder kwam de Vereniging van Beleggingsanalisten (VBA) vorig jaar, in internationaal verband, met tientallen richtlijnen om beleggingsresultaten helder te berekenen en eerlijk aan klanten te presenteren (VBA-Performance Presentatie Standaarden), zodat klanten diverse beleggingsproducten eindelijk eens met elkaar kunnen vergelijken.

Maar, al dit moois staat nog in kinderschoenen. Het wetsvoorstel is `geen verplichting maar een mogelijkheid tot het stellen van regels' en de hoofd-VBA-richtlijnen zijn door de Verzekeringskamer verplicht gesteld voor alleen pensioenfondsen. Kortom: voor de `beste koop' uit de vele beleggingsfondsen is de consument voorlopig nog aangewezen op het eigen oordeel en eigen onderzoek.

Volgens Ritsema van de VEB moeten beleggers fondsen vooral onderzoeken op rendement, risico, beleggingshorizon en kosten. Een voorbeeld van het eerste criterium, waarover slechts één op de drie fondsen iets concreets in het jaarverslag meldt, is: `Wij streven naar een beter rendement dan de CBS-herbeleggingsindex'. Een wereldwijd aandelenfonds kan iets aangeven als: `We streven naar een beter resultaat dan de Morgan Stanley Capital Index.' Toch blijft het met beweringen over rendement oppassen, weet Ritsema. ,,Een fonds dat zegt de AEX-index te verslaan heeft het gemakkelijk, want die index bevat geen dividenden.''

Over risico meldt zestig procent van de beleggingsfondsen niets in het jaarverslag. Een IT-fonds zou bijvoorbeeld kunnen waarschuwen: ,,De koersen van IT-aandelen zijn, vanwege hun hoge koers-winstverhoudingen zeer gevoelig voor mee- of tegenvallende ondernemingsresultaten. De koersbewegingen kunnen daardoor heftiger zijn dan het beursgemiddelde.'' De belegger (die leest) weet dan waaraan hij toe is.

Dan de beleggingshorizon. Dit belangrijke, maar door vrijwel geen fonds aangegeven selectiecriterium vertelt de belegger na hoeveel tijd hij de door zijn fonds beloofde resultaten kan verwachten. Het fonds denkt bijvoorbeeld `over een periode van drie tot vijf jaar een rendement te bieden dat ruim ligt boven een hoogrentende direct opvraagbare spaarrekening'. De geldconsument weet dan dat hij zijn investering minimaal drie tot vijf jaar moet laten staan. Ritsema: ,,Een belegging in het Verre Oosten kan dus prima zijn mits de klant maar weet dat hij zijn geld minimaal vijf of tien jaar moet laten staan. Een gepensioneerde heeft daar misschien geen tijd meer voor.''

De fondskosten ten slotte zijn minstens zo belangrijk als onderbelicht, want acht op de tien fondsen melden er niets tot weinig over. Daarmee lopen we achter op Amerika en Engeland, waar de fondskosten juist een belangrijk concurrentiemiddel zijn. Men is daar wat sceptisch over de toegevoegde waarde van een actief beheerd fonds, weet Ritsema. Want als een fonds het niet beter doet dan de index, kan de belegger zich de kosten voor een dure fondsbeheerder immer beter besparen. Ritsema: ,,Een deel van de Angelsaksische beleggers kiest daarom liever voor passief beheer in de vorm van een indexfonds, maar dan wel tegen minimale kosten.'' Ook hier zal de aandacht voor kosten gaan toenemen, verwacht Ritsema. ,,Dat gebeurt zodra indexfondsen hier doorbreken en als het wat slechter gaat op de aandelenbeurs.''

De vraag is ondertussen hoe de kiezende belegger aan de benodigde fondsgegevens over rendement, risico, beleggingshorizon en kosten komt. Een jaarverslag opvragen is een nuttige stap, hoewel het vaak onvoldoende oplevert. Informatie over rendementen en soms ook risico (over drie tot vijf jaar) vinden beleggers periodiek in elk geldtijdschrift en op elke geldpagina. Ritsema noemt dat ,,enige verbetering, ondanks het gevaar dat je appels met peren vergelijkt''. Voor de beleggingshorizon moeten beleggers noodgedwongen uitgaan van vuistregels. Ritsema: ,,In een Verre Oosten fonds moet je bijvoorbeeld minimaal vijf tot tien jaar beleggen.''

Toch blijven belangrijke informatielacunes. Wie beheren een fonds bijvoorbeeld? ,,In de VS wordt daar heel open over gepraat'', zegt Ritsema. ,,Op de internetsite van de American Association of Invidual Investors [www.aaii.com] vind je de namen, prestaties en loopbaangegevens van fondsbeheerders. Hier weet bijvoorbeeld bijna niemand dat fondsbeheerder K. Molenaar recent is overgestapt van Delta Loyd Investment Fund naar de ING, terwijl dat fondsprestaties kan beïnvloeden.''