Een gelukkig man

Afgelopen donderdag, de middag liep ten einde. Op het Spui in Amsterdam was een witte tent opgericht. Er klonk levende Dixieland. Op de Voorburgwal aan de kant van de Athenaeum boekhandel probeerde een dronkaard/dakloze van het nieuwe type (baseball pet, geen tanden, jekje, nauwe spijkerbroek, sneakers) te begrijpen wat er gaande was, en toen hem dat wel of niet was gelukt, ging hij schreeuwen. Hoewel de geweldloze zones in het centrum pas dit weekeinde worden afgekondigd, bleef de sfeer geweldloos. Je zou, dacht ik, in de Nederlandse steden ook evenementloze zones moeten afkondigen, herkenbaar aan een bordje waarop een opengesperde mensenmuil met een rode streep erdoor. Maar ik zeg het meteen: hier was geen warming-up voor een evenement aan de gang. Het was een gewoon klein feest voor een van de redelijkste, verstandigste Amsterdammers: Luud Schimmelpennink, profeet van de Witte Fiets, constructeur van de Witkar en de Solo en nu een man die op het punt stond, zijn droom officieel verwezenlijkt te zien. Om het Lieverdje waren de nieuwe fietsen gestald, een stuk of vijftig. Als je een chipkaart hebt of een giro- of bankpas, kun je er gewoon op weg rijden, van de ene stalling naar de andere.

In het kort iets over de voorgeschiedenis. Wat in overvloed aanwezig is, wordt vanzelf tot algemeen eigendom. Dat geldt bijvoorbeeld voor de balpuntpen en de plastic aansteker. Nico Scheepmaker had dat al vroeg goed gezien. Een ballpoint hoefde niet eens wit te zijn om hem van andermans bureau te pakken, en een aansteker, idem. Fietsen, ging de theorie verder, zijn in Nederland in zo'n overvloed aanwezig dat er niet tegenop te stelen valt. `Een fiets is iets maar bijna niets.' Als je een fiets wit verft, maak je hem dus onsteelbaar. Maar de combinatie van menselijke hebzucht en domheid is altijd sterker dan de logica van de economie. Sjef van Oekel loopt langs een fietsenwinkel. De etalage is leeg. Kijk, zegt hij, voorgestolen fietsen. In Amsterdam worden nog altijd een paar honderdduizend fietsen per jaar gestolen. Als het je eigen fiets is overkomen ga je vanzelf nadenken over anti-steel mechanismen: pepperspray dat uit een verborgen opening aan de achterkant van de lamp de dief in het gezicht spuit, terwijl ijzeren pinnen uit de handvaten schieten en uit een luidsprekertje in het achterlicht een pittbull begint te blaffen. Nog verschrikkelijker dingen. Dat kan allemaal met de moderne elektronica.

Dit soort rigorisme is Luud Schimmelpennink vreemd. De nieuwe Witfiets is vrijwel onsteelbaar. Dat komt door zijn uiterlijk. Wil je hem stelen voor export naar Afrika, en iemand in Lagos gaat erop rijden, dan wordt hij gearresteerd, want de politie daar weet: dit is een Witfiets, in Amsterdam gestolen. Ook mensen hier die eruit zien als een Amsterdamse fietsendief en buiten de rayons worden aangetroffen, worden gepakt. Enzovoort. Zo kunnen we iedere onderneming kapot twijfelen.

Het zal anders moeten gaan. Dit nieuwe Witfietsenplan wordt gesponsord door het GVB, de Postbank, KPN Telecom, Schimmelpenninks eigen Y-TECH natuurlijk en nog twee organisaties. Daarmee is het sterker dan alle voorgaande ondernemingen en dus heeft het groter uithoudingsvermogen. Dit betekent dat meer Amsterdammers ervan doordrongen kunnen raken dat ze te maken hebben met een openbaar middel van vervoer, een semi-collectief eigendom, en dat ze dus de burgerplicht hebben er zo goed mogelijk voor te zorgen. Op den duur zou iemand die zo'n fiets op wat voor manier dan ook wilde mishandelen, weten dat hij de volkswoede over zich afriep, zodat hij het wel uit zijn hoofd zou laten. Deze Witfiets moet de status van onaantastbaarheid krijgen, verzekerd door het volk van de hoofdstad.

Mij was gevraagd, ook iets in het openbaar tegen Luud Schimmelpennink te zeggen. Een grote eer. Ik stond op het podiumpje, het uitzicht op het Lieverdje, met een op schrift gestelde tekst over de eerste Witfiets en wat erop gevolgd is. En wat ik nooit had geloofd als ik het van anderen hoorde: ik kreeg een visioen. Aan de overkant stegen rookwolken op, Robert Jasper Grootveld riep uche-uche, politiemotoren met zijspan reden de stoep op (`Al een klap met een lat van een smeris gehad?' — Scheepmaker), rector magnificus Belinfante had op dezelfde plaats geprobeerd via een megafoon de Maagdenhuisbezetting tot overgave te bewegen, Cor Jaring maakte foto's. Het visioen was voorbij, Cor Jaring bleef. Hij was het echt, met camera, op 9 september 1999. Van tram-, bus- en metrodirecteur André Testa kreeg Luud Schimmelpennink een ingelijste foto, meer dan dertig jaar geleden door Cor Jaring gemaakt. Jaring maakte een foto van Luud met zijn eigen foto. De zaak was rond, en Schimmelpennink zo te zien een gelukkig man.