Doodgelukkig

Wat zei Richard Krajicek na de uitschakeling op de US Open? Dat hij lekker vakantie ging nemen. Had-ie wel verdiend na 48 aces.

Teleurstelling is een begrip voor mietjes, zo willen het de ongeschreven wetten in de sport, anno 1999.

Wat zei bondscoach Frank Rijkaard na de vaudeville in de Kuip tegen de Belgen? ,,De motivatie van de spelers was groter dan voorheen. Dat vormt een aanzet om verder te gaan.'' Er lag geen groefje verdriet in het nobele gezicht van Frankie. Hij lachte bijna de woorden uit zijn mond: ik kan niet te negatief oordelen. Nou ja 5-5 tegen de Belgen, wat maakt het uit, voetbal of korfbal, we zijn toch mensen met elkaar.

Wat zeiden Paauwe, Bosvelt, Kreek, Boussatta, Trustfull en Ricksen in koor toen ze in Katwijk na het oefenpotje tegen Oranje naar huis werden gestuurd? Dat ze zo verguld waren door de attentie van de bondscoach die de huurlingen-voor-een-dag had uitgewuifd met de opsteker dat hij hen in de gaten zou houden.

En wat zei Michael Boogerd toen hij leeg en uitgeblust, op anderhalf uur van Lance Armstrong, de Tour in Parijs beëindigde? ,,Heerlijk, morgen lekker uitslapen.''

Stuur de dood naar Nederlandse topsporters en nog zullen ze zeggen: bedankt dat je gekomen bent. De koorts van het succes is weg. De angst voor het falen eveneens. Het lijkt wel alsof iedereen kopschuw is geworden voor de eenzaamheid van het record, de titel, de reputatie. Zelfs de onoverwinnelijke Regilio Tuur is failliet, zo lees ik. Tuurke, de man die zo stoïcijns kon incasseren, nu uitgeteld op het zakelijk canvas. Nee: God bestaat heus niet.

Voetballers, volleyballers, hockeyers, om het met Peter Blangé te zeggen: ze spelen zonder kloten. Zijn ze volgevreten? Speelt de volksaard van nonchalance, pils en patat op? Zijn ze in de secularisering doorgeschoten en is vandaag vlag noch gras heilig? Wat bepaalt het generatieverschil? Hans van Breukelen zeikte vrouw en kinderen gek na een doelpunt. Jan Raas vloekte 's Heerenhoek doof na een mislukte demarrage in Parijs-Roubaix. Van Basten, Kieft, Wouters, ze zouden over kerken en pleinen hebben gesprongen voor een avondje disco, maar alleen na winst.

Richard Krajicek is de personificatie van de nieuwe generatie. Aan talent ontbreekt het niet. Een enkele keer in de wedstrijd bekoort hij zelfs door zijn temperament. Maar over zijn gehele carrière – inclusief de hoogtepunten – ligt een zweem van vadsigheid. Hij is constanter in het sjokken en knoeien dan in brille. Ook op Flushing Meadows zag je soms een set lang een hangjongen met een racket en een air van peilloze verveling. Backhand en volleys konden hem gestolen worden. Niet in New York, in Muiderberg was het te doen.

Ligt het aan de opvoeding, aan de coaches, aan de vrouwtjes? Niet dat het verder iets zegt over de genade van een huwelijk, maar Truus van Hanegem was in haar tijd wel een furie. Zo'n type zie je niet meer in de tribunes. Het zijn nu meer dames van smaragd, krullend in de leegte van hun schoonheid, die de begeleiding waarnemen. Vaak zo afwezig en onthecht dat ik ook zou denken: voor haar doe ik het niet.

Wellicht speelt het euforische gekakel over het poldermodel een rol. Nederland heeft alles, er is niets meer om voor te vechten. Voor de eer hebben we Ahold en Shell, voor het geld zorgen Kok en Zalm en voor de liefde kunnen we terecht bij de soaps van SBS6 en RTL. Dan ga je als toptennisser ook niet meer voor een topprestatie in de Davis Cup. Overigens heb ik Krajicek nog nooit kunnen betrappen op een nationaal gevoel. Misschien is hij wel een vaderlandsloze.

De Nederlandse sportnatie wordt al even saai als de burgerlijke maatschappij. Het is nooit meer oorlog, winst en verlies zijn quasi statistische begrippen geworden, en we hebben zelfs geen staatssecretaris meer die nog uitbundig staat te juichen. De sport is geannexeerd door de grachtengordel. De jongens van Rijkaard of van Gerbrands of van de Rabo zijn te elitair voor emotie en passie, voor drama en verdriet.

Michiel Schapers heeft niet eens jongens.

    • Hugo Camps