De multi-boer

Na duurzame landbouw nu multifunctioneel landgebruik. Behalve voedsel moet die ook natuur, sociale stabiliteit, waterbeheer en recreatie leveren. Gaat dat lukken? Nederland heeft geen keus, stelt de Wageningse onderzoeker Pieter Vereijken.

`Meer dan een miljoen hectare, eenderde van ons landelijk gebied, bestaat uit Engels raaigras voor de koeien. Verder hebben we enkele honderdduizenden hectare maïs, vooral om de varkensmest te kunnen lozen. Daar kun je toch niet mee doorgaan. De grondprijzen gaan naar 100.000 gulden per hectare. Met zulke hoge grondprijzen en met zoveel stedelingen die dichtbij huis willen recreëren moet het gras- en bouwland toch meer functies krijgen: het moet ook een rijke flora en fauna bevatten, aantrekkelijk zijn voor recreatie, in het westen moet het water bergen, in het oosten moet er water uit gewonnen kunnen worden.'

Dr. Pieter Vereijken, die op het Instituut voor Agrobiologisch en bodemvruchtbaarheidsonderzoek (AB-DLO) werkt aan multifunctionele landbouw, gelooft niet dat de intensieve, monofunctionele landbouw het in Nederland nog lang zal redden. Nu is nog zeventig procent van ons landelijk gebied bestemd voor die vorm van landbouw. Maar de akkerbouwers en melkveehouders produceren voor de wereldmarkt. En dat kunnen ze – nu de prijssubsidies op agrarische producten worden afgebouwd en de EU de milieurichtlijnen gaat aanscherpen – niet volhouden. De arbeid en grond in Nederland zijn te duur. Ook voor de intensieve varkenshouderij ziet Vereijken de toekomst somber in. ``In Polen hebben ze genoeg grond om de mest uit te rijden en toch aan de nitraatrichtlijnen van de EU te voldoen, ze hebben ook genoeg grond om veevoer te verbouwen. Natuurlijk, Nederland kan inzetten op mestverwerking, het kan veevoer uit Thailand blijven halen en we kunnen ook nog grond besparen met varkensflats op bedrijfsterreinen. Maar mestverwerking is veel duurder dan mest uitrijden, en de consument heeft, zeker als het niet meer kost, liever varkensvlees van een grondgebonden varkenshouderij dan van een bedrijfsterrein. Met al hun technologische trukendozen zie ik het de Nederlandse hokveehouderij toch binnen tien jaar afleggen tegen de hokveehouderij in het buitenland.''

Vereijken zegt niet te weten hoeveel Wageningse onderzoekers de visie ondersteunen dat de huidige, monofunctionele landbouw in Nederland geen toekomst heeft. Wel viel hem de uitslag van een enquête die hij in juni afnam tijdens een symposium over multifunctionele landbouw mee. Bijna de helft van de 24 onderzoekers die zijn enquête beantwoordden, meende dat in Nederland monofunctionele landbouw niet duurzaam kan zijn. Van de 22 deelnemende onderzoekgebruikers (beleidsmakers en ondernemers) ging slechts een kwart zover om te stellen dat monofunctionele landbouw in Nederland niet duurzaam kan zijn. Daarbij meende wel bijna de helft van de onderzoekgebruikers dat een multifunctionele landbouw in Nederland – die ook zorgt voor bijvoorbeeld natuur, afvalverwerking, opvang en recreatie – alleen economisch haalbaar is als de boeren produceren voor een EKO-keurmerk.

Multifunctionele landbouw lijkt niet nieuw. Het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij heeft al een paar jaar subsidiepotjes voor nevenactiviteiten als boerderijcampings, zorgboerderijen, weidevogelbeheer en bloemrijke akkerranden. Maar, stelt Vereijken, met de paar procent boeren die aan zulke projecten mee kunnen doen heeft Nederland nog geen multifunctionele landbouw. Een boer kan wel een camping beginnen, maar als hij in een streek woont met veel verkeer en verder voornamelijk Engels raaigras, komt niemand kamperen. ``Daarom lopen streekeigen projecten als de Veenweiderkaas niet. De mensen zijn niet gek. Ze weten ook wel dat als een op de honderd melkveehouders Veenweiderkaas produceert, het Groene Hart niet leefbaarder of aantrekkelijker wordt.''

VISUEEL ONRUSTIG

``Multifunctionele landbouw kan alleen als er sprake is van een aantrekkelijk platteland en ik versta daaronder een platteland, gekenmerkt door rust, openheid en stilte. Dit in tegenstelling tot het stedelijk gebied dat dicht bebouwd, lawaaiig en visueel onrustig is. Er moeten in het platteland groene longen zijn, met mestarme natuurgraslanden die rijk zijn aan bloemen en dieren. Er grazen wel minder koeien – die waarschijnlijk ook minder melk geven – maar de boer kan een hogere opbrengst per liter krijgen door de melk met een keurmerk te verkopen. Ik denk niet dat hierbij bestrijdingsmiddelen passen. Ze vervuilen het water dat de boer ook zou kunnen verkopen. En bovendien doden ze de nuttige dieren en planten.

``Probleem is dat ons referentiekader verschuift. Ik ben vijftig en weet nog dat grote delen van het landelijk gebied vroeger zo waren: open, stil, rustig en met een grote biodiversiteit. Ik heb gezien hoe hier steeds meer van verdwijnt en al die maïsvelden vind ik dan ook vreselijk. Maar mijn dochter van 23 komt van een fietstocht thuis en zegt opgetogen dat de maïs er zo mooi bij staat. Steeds minder mensen weten nog hoe het vroeger was. Dat maakt het moeilijk om beleidsmakers en politici bereid te krijgen hun nek uit te steken voor herstel van de groene longen in het landelijk gebied.''

De loopbaan van Vereijken is kenmerkend voor de verandering die het denken over de Nederlandse landbouw heeft ondergaan. Tussen 1978 en 1988 onderzocht hij op het proefbedrijf Nagele als eerste hoever boeren het gebruik van bestrijdingsmiddelen kunnen terugdringen zonder er veel op te verliezen. Zijn groep concludeerde dat de gangbare boeren met slimmere vruchtwisselingen, meer hygiëne en resistentere rassen, negentig procent terug kunnen in hoeveelheid bestrijdingsmiddelen. Mede hierop is in 1986 het Meerjarenplan Gewasbescherming gebaseerd. De conclusies pasten bij het toen opkomende concept van `geïntegreerde landbouw', een landbouw waarin behalve productie ook het milieu telt. Toen de eveneens aan de weg timmerende biologische landbouw rond 1990 dreigde te stagneren door te lage opbrengsten, koos Vereijken ervoor die sector te helpen. Tussen 1991 en 1997 experimenteerde hij met vruchtwisselingen en andere teelttechnieken bij tien biologische boeren in Flevoland – een aanpak die in de sterk op veldproeven en modellen steunende agronomie nog steeds origineel is. De onderzoekers en de boeren probeerden gezamenlijk de biologische productie te verhogen en natuur op de bedrijven te krijgen. Tijdens dit project, gefinancierd door de EU, merkten betrokkenen dat echt duurzame landbouw – die de term `geïntegreerde landbouw' inmiddels had verdrongen - in Nederland alleen haalbaar is wanneer boeren ook inkomsten kunnen halen uit natuur, recreatie of waterwinning. Vereijken ging meewerken aan het DLO-programma multifunctionele landbouw.

Zijn geschiedenis leert dat je er met een mooi concept nog lang niet bent. ``Bijna twintig jaar nadat we hebben aangetoond dat geïntegreerde landbouw mogelijk is, hebben we nog steeds voornamelijk gangbare landbouw in Nederland. Op grondontsmettingsmiddelen na, gebruikt de landbouw nog evenveel bestrijdingsmiddelen. De sector is echt heel inflexibel. Kijk nu maar weer hoe furieus de boeren reageren op de aankondiging dat een deel van de bestrijdingsmiddelen per 1 januari verboden wordt. Dit hebben ze toch jaren kunnen zien aankomen. Afgelopen week viel een van de akkerbouwvoormannen ons project in Nagele nog aan: wij zouden de bespuitingen van gangbare bedrijven hebben overdreven, om de geïntegreerde landbouw mooier voor te stellen. Maar inmiddels hebben boeren toch aangetoond dat je zonder die middelen kunt? Het zou me overigens niet verbazen als het beleid voor de zoveelste keer terug komt op zijn beslissing deze middelen te verbieden. We leven in de tijd van draagvlak creëren en communicatie. En de boeren vinden dat wel best. Want zolang er wordt gepraat hoeven ze niet te veranderen.''

CHEMOFOBIE

Vereijken merkt dat de biologische boeren hun eigen inflexibiliteit hebben. ``Zij hebben weliswaar milieu, welzijn en gezondheid hoog in het vaandel, maar vanuit een soort chemofobie: als er maar geen chemicaliën worden gebruikt is het goed. Natuur en landschap passen niet in hun productiewijze.'' Met het door de pers doodgeknuffelde streekeigenproject de Zeeuwse Vlegel – dat speciale Zeeuwse tarwe verbouwt – heeft hij weinig op. ``Het appelleert vooral aan nostalgische gevoelens, maar presteert weinig op gebied van natuur en milieu.''

Vereijken is eigenlijk al weer een stap verder dan het concept multifunctionele landbouw. Liever praat hij over multifunctioneel landgebruik. Want een enkele boer kan niks doen aan een mooi landschap, noch aan biodiversiteit, noch aan waterbeheer. Een camping bij een boer heeft alleen zin als de streek mooi, open en rustig is, en voor waterwinning en waterbeheer zijn aangesloten stukken nodig van enkele honderden hectare. Dus zal het slagen van multifunctioneel landgebruik mede afhangen van gemeentes en provincies, maar die lijken zich niet echt hard te maken voor groen platteland.

Vereijken: ``Ik heb het landgebruik rond Deventer bekeken. Afgelopen jaren is op het platteland de openheid, rust en stilte bijna overal aangetast. Net als rond zoveel steden gebeurt. Er vestigt zich van alles: bouw- en vervoersbedrijven, restaurants, dierenasiels, golfbanen, kleiduifschieten. Allemaal activiteiten die verkeer aantrekken waardoor er weer meer wegen moeten komen. Zo wordt het landelijk gebied vlees noch vis, zo'n gebied heeft geen kwaliteit. Ik zou zeggen: houd je als bestuurder aan twee typen landgebruik. Rond de grotere wegen vestig je bedrijven en vormen van recreatie die verkeer aantrekken. Daarnaast zorg je voor verkeersarme, groene longen met extensieve, multifunctionele landbouw. Vervolgens moet je het natuurlijk nog zo organiseren dat de boeren in die groene longen voor recreatie, natuur, opvang en waterbeheer betaald worden. Wat dat betreft verwacht ik veel van de EU. Deze gaat niet langer meer de afzet van producten op de wereldmarkt subsidieren, maar betalen voor milieumaatregelen en landschapsbeheer.''

POOTAFSTANDEN

De experimenten met de boeren in Flevoland leerden dat de opbrengst van de biologische landbouw nog flink is te verhogen. Dit met onder meer slimmere vruchtwisselingen, betere pootafstanden en monitoring van de gezondheid van gewassen. Vereijken sluit niet uit dat Nederland met alleen multifunctioneel, extensief beheerd gras- en bouwland een heel eind komt in de eigen voedselvoorziening. Wel zouden we dan minder vlees moeten eten, en misschien ook meer voedsel moeten halen uit kweken van algen en micro-organismen.

``In Nederland hebben we al jaren proefbedrijven. Ik zou zo ook een aantal proefgebieden willen. Wageningen is nu wel gestart met multifunctionele landbouwexperimenten rond Winterswijk: boeren kunnen bijvoorbeeld meedoen aan waterwinningsprojecten en aan projecten met extensief beheerd gras- en bouwland. Maar hierbij gaat het nog om losse, kleine experimenten; er is nog geen gebiedsbenadering. Bovendien wordt uitgebreid overlegd met de betrokkenen waardoor veel van de oorspronkelijke ideeën verloren dreigen te gaan. Ik stel me in Nederland vier proefgebieden voor van 1000 hectare. Een interdisciplinair team van wetenschappers schrijft een scenario voor multifunctionele landbouw en krijgt tien jaar de tijd om het uit te voeren. De boeren – of noem het rurale ondernemers – mogen wel ideeën aandragen, maar niet de regie voeren. Want als betrokkenen in een proefgebied meebeslissen, weet je zeker dat het geen radicaal nieuwe visies en doorkijken oplevert voor andere gebieden. Ik weet wel: dat kost een miljard. Maar Nederland zwemt toch in het geld.''