De modelstudent bestaat niet

De hoogte van de studiefinanciering is gebaseerd op de uitgaven van een modelstudent die niet lijkt te bestaan.

De meeste studenten kunnen niet rondkomen van hun beurs. Bovendien zijn de studierichting en de woonplaats van de student ook van invloed op het besteedbare inkomen.Een uitwonende student die recht heeft op volledige studiefinanciering, heeft een maandinkomen van zo'n 1.250 gulden. Dat bedrag is beslist geen nattevingerwerk, maar een normbudget, dat met veel ingewikkeld gepuzzel tot stand gekomen is.

Het uitgangspunt is dat de student vier belangrijke uitgaven heeft. Om te beginnen moet hij jaarlijks zijn les- of collegegeld betalen, wat neerkomt op een kleine 3.000 gulden. Daarnaast is hij geld kwijt aan boeken en andere leermiddelen, waarvoor maandelijks zo'n 95 gulden gereserveerd is. De derde kostenpost (ruim 850 gulden) bestaat uit de kosten voor levensonderhoud, inclusief persoonlijke uitgaven, zoals bioscoopbezoek of een avond in het café. Reiskosten horen hier niet bij, want elke student met studiefinanciering beschikt immers over een OV-jaarkaart. Ten vierde is er maandelijks een kleine 70 gulden nodig voor een ziektekostenverzekering, want studenten kunnen zich sinds een paar jaar niet meer bij het ziekenfonds verzekeren.

Het Ministerie van Onderwijs gaat ervan uit dat elke student rond moet kunnen komen van het op degelijk rekenwerk gebaseerde bedrag van 1.250 gulden. ,,Ze baseren zich op een modelstudent'', zegt Peter van de Wijngaart, student politicologie aan de Universiteit van Amsterdam. In het afgelopen studiejaar had hij als bestuurslid van de Landelijke Studenten Vakbond (LSVB) de studiefinanciering in zijn pakket. ,,Maar wie die modelstudent is, weet ik niet, want bijna niemand kan rondkomen van het normbedrag.''

Uit onderzoek van het Nibud blijkt dat de gemiddelde student ruim 100 gulden per maand méér uitgeeft dan het ministerie bedacht heeft, geld dat verdiend wordt met een baan naast de studie of in de vakanties. Het feit dat studenten aan het normbudget tekort komen, wordt vooral veroorzaakt door hoge huurprijzen.

,,Vroeger werd er in de studiefinanciering expliciet een bedrag gereserveerd voor huisvesting, maar tegenwoordig kom je die term niet meer tegen bij de berekeningen voor het normbudget', zegt Van de Wijngaart. ,,De huisvestingskosten zijn al jaren aan het stijgen, maar dat werd niet gecompenseerd in de beurzen. In plaats van het normbedrag te verhogen, hebben ze het gewoon niet meer over woonlasten. Maar impliciet is er natuurlijk wel sprake van een normbedrag. Je kunt het verschil tussen de uitwonenden – en de thuiswonendenbeurs beschouwen als het bedrag dat je mag uitgeven aan huur.'' Het verschil tussen die twee beurzen bedraagt per maand 300 gulden, een bedrag waarmee in de meeste steden weinig valt te huren.

,,De modelstudent bestaat dus niet'', zegt Peter van de Wijngaart. ,,Niet alleen omdat studenten van het normbudget niet kunnen leven, maar ook omdat het een groot verschil maakt waar je studeert en wat je studeert.'' Collegegelden zijn weliswaar voor iedereen gelijk, maar de prijzen van boeken en andere leermiddelen kunnen sterk uiteenlopen. ``Ik doe politicologie en dan gebruik je veel boeken uit de Verenigde Staten'', zegt Van de Wijngaart. ,,Dat zijn vaak paperbacks zonder plaatjes in een grote oplage, dus vrij goedkoop. Als je medicijnen studeert, zijn je boeken veel duurder. En bij sommige studies, zoals tandheelkunde, moet je zelf dure materialen aanschaffen.'' Daarnaast zijn er opleidingen waarbij de student moet betalen voor het gebruik van computers of waar speciale kleding aangeschaft moet worden.

Ook de stad waar de student woont, is van invloed op het uiteindelijke besteedbare inkomen. Dat heeft niet alleen te maken met de hoogte van de huur – in steden als Amsterdam en Utrecht, waar de woonruimte schaars is, zijn huurprijzen van 450 gulden per maand voor een bescheiden kamer eerder regel dan uitzondering –, maar ook met de manier waarop een stad studenten behandelt. Zo kan Van de Wijngaart als Amsterdammer gemakkelijk een ontheffing krijgen voor de gemeentelijke belastingen, maar lang niet elke gemeente is zo soepel met het verlenen van vrijstellingen. ,,Bij regelingen die bestemd zijn voor mensen met een minimuminkomen vallen studenten vaak buiten de boot. Het hangt af van de criteria die een gemeente hanteert. Als ze alleen maar een inkomenstoets uitvoeren en niet kijken naar het soort inkomen, zit je als student goed. Maar als ze het recht op een bijstandsuitkering als uitgangspunt hanteren, kun je belastingvrijstellingen of bijzondere bijstand om bijvoorbeeld een wasmachine te kopen, wel vergeten', zegt Van de Wijngaart.

Ook voor het al dan niet ontvangen van een Zalmsnip (het douceurtje van 100 gulden van de minister van Financiën) zijn studenten vaak afhankelijk van de opstelling van de gemeente waar zij wonen. ,,Sommige gemeenten geven de Zalmsnip alleen aan mensen die officieel zelfstandig wonen, waardoor veel studenten op kamers er niet voor in aanmerking komen. Amsterdam geeft hem aan iedereen die kan aantonen dat hij in de stad woont, maar ik ken veel studenten in Hilversum die niks hebben gekregen.''

Studenten die over dit soort zaken klagen, hoeven niet op veel sympathie te rekenen, is de sombere constatering van Van de Wijngaart. ,,Men wil best toegeven dat we het op dit moment niet breed hebben, maar we worden beschouwd als een groep die het straks bepaald niet slecht zal hebben.''

Ook het Ministerie van Onderwijs is niet gevoelig voor de financiële effecten van regionale huurverschillen, gemeentelijk beleid of extra onkosten bij sommige studierichtingen. De minister wijkt slechts in een geval af van het normbudget voor de modelstudent: studenten van wie de ouders op de Wadden wonen, maken reiskosten waarin de OVjaarkaart niet voorziet. De boot naar huis valt immers niet onder het reguliere openbaar vervoer. Daarom mag Ameland als `penvoerende gemeente' namens de minister jaarlijks 100 gulden geven aan elke student met een ouderlijk huis op een van de eilanden.