De literaire salon is terug in Berlijn

De literaire salon in Berlijn bloeit weer op. Gravin Hardenberg wil er één beginnen. De journaliste Lea Rosh – bekend als initiatiefneemster van het Holocaust-monument - maakte onlangs als salondame haar debuut. Zelfs Doris Schröder-Köpf, die inmiddels met haar man, de bondskanselier, in Berlijn woont, voelt er veel voor een salon te openen.

`Neu-Berliner' en `Alt-Berliner' hunkeren naar het grootsteedse debat. Nu het `nieuw midden' van Berlijn na de verhuizing met Bonners is gevuld, vormen talloze politici, diplomaten, journalisten en culturele pioniers een willig doelwit van de nieuwe salondames en -heren.

De salons schieten als paddestoelen uit de grond en de organisatoren kunnen rekenen op overvolle ruimten. Het café Quartier 206 in Berlin-Mitte organiseert een literaire salon in de stijl van de jaren negentig. De Akademie der Künste heeft haar oog laten vallen op de Potsdamer Platz voor een salon als `trefpunt van prominenten uit de wereld van cultuur, politiek en economie'. De dames Linde Stehr en Birgit Dorfner organiseren hun Berliner Salon in de kelder van een boekhandel in de Friedrichstrasse.

De alternatieve wijk Prenzlauer Berg, die tegen het nieuwe centrum aan ligt, blijft ook niet achter. Het collectief van café Walden, twee heren en een dame, begon al een jaar geleden met een literaire salon waar onbekende en bekende schrijvers het publiek regelmatig provoceren.

,,Er is een ongelooflijke behoefte om Berlijn een intellectuele impuls te geven'', zegt Ernst Siebel. ,,Maar'', zo waarschuwt hij, ,,de ene salon is de andere niet. Er schuilt veel kaf onder het koren'', zoals bijeenkomsten met schrijvers die alleen maar komen voorlezen en vooral, signeren en verkopen. Siebel is kunsthistoricus en heeft net de laatste hand gelegd aan een boek over de groot-burgerlijke salons in het Berlijn van de 18de en 19de eeuw.

In een ver verleden, toen er nog perscensuur bestond, klopte het intellectuele hart van de stad nog in de zogenaamde Konditorei, waar de onderdrukte intelligentsia zich bij koffie met koek informeerde. Maar toen Berlijn ten tijde van Frederik de Grote (1740-1786, de `koning-filosoof') uitgroeide tot een spiritueel, intellectueel en politiek middelpunt van Pruisen, groeiden de salons uit tot trefpunten van het intellectuele debat.

Het waren vooral jonge joodse vrouwen, die hun huiskamers openstelden voor schrijvers, filosofen, kunstenaars en mensen van adel. De salon van Rahel Levin, die was gevestigd in een pand bij de Gendarmenmarkt, was verreweg de beroemdste. De historicus Leopold Ranke, Heinrich Heine en Hegel waren er geziene gasten. Ook de salons van Dorothea Mendelssohn en Henriette Herz waren destijds in trek. Maar de emigratie, de oorlog en de moord op de joden vernietigden het zogenaamde Bildungsbürgertum (burgerlijke elite) in de stad.

Nu Berlijn als politieke hoofdstad nieuw leven wordt ingeblazen, verlangen nieuwe en oude Berlijners hevig naar `het gesprek', zegt Siebel. Enkele oude gerenommeerde Berlijners houden thuis salonachtige bijeenkomsten voor gesloten gezelschappen. De meest exclusieve is de salon van de schrijver en Willem II-biograaf Nicolaus Sombart. Als zoon van de grote econoom Werner Sombart is hij opgegroeid in het diplomatieke en intellectuele klimaat van het vooroorlogse Berlijn. Elke zondag treft in zijn woning een uitgelezen gezelschap elkaar (met een bepaald quotum aan filosofie-studenten) om bij thee en gebak talloze actuele thema's te bespreken. Van de oorlog op de huurmarkt tot de kritische theorie van de Frankfurter Schule, die de filosoof Peter Sloterdijk dood verklaarde.

De Berlijnse taalkundige Britta Gansebohm hecht er uitdrukkelijk aan dat haar salon openbaar is. Ze is een jonge vrouw, die drie jaar geleden haar atelier in Kreuzberg begon voor bevriende filmers, schilders, fotografen – de culturele goegemeente in Berlijn. Het gezelschap groeide dusdanig, dat Gansebohm intussen is uitgeweken naar de club Podewil in het hart van de stad. Een lezing van een uur, vier vragen stellen en daarna signeren – wat veel boekhandels en café's doen onder het mom van salon – vindt Gansebohm niets. ,,Met een uitwisseling van meningen heeft dat weinig te maken''. Voor Gansebohm staat de democratische gesprekscultuur centraal. Net als de journaliste Lea Rosh met haar salon in het barokke Ermelerhaus, wil Gansebohm mensen bij elkaar brengen, die ,,anders niet met elkaar praten''.

Voor de Prominenz is small talk genoeg. De Berlijnse samenleving wil echter een eigen stijl, taal, humor en thema's ontwikkelen, stelt de Duitse publicist Klaus Hartung van het weekblad Die Zeit vast in de jongste uitgave van Kursbuch dat Berlijn, de metropool als thema heeft. En hij herinnert eraan dat de intellectuele elite in het Berlijn van de 19de eeuw niet voor niets in sommige salons de tekst aan de wand had hangen: `Alstublieft geen gesprekken over Nora!'.

De grote intellectuele impulsen in Duitsland gingen de laatste tien jaren niet van Berlijn uit. Ook was er nauwelijks een invloedrijk debat in de hoofdstad over de hereniging tussen Oost en West. Maar Hartung, een Neu-Berliner, acht nu de tijd rijp voor een intellectuele impuls, voor het ontstaan van een Berliner Gesellschaft. Aanleiding voor debat is er vol op: de schokken van de Val van de Muur, de paradoxen van een `veranderde normaliteit', de mentale verstoringen die het snelle leven met zich meebrengt. Waarschijnlijk zal het de politiek zijn, de Eros van de macht, die een Berliner Gesellschaft weet samen te brengen, meent Hartung. In de salon van Britta Gansebohm is iets van het Berlijnse levensgevoel waar Hartung naar verlangt, al te proeven.