ACHT VOOR KOKEN, DRIE VOOR ENGELS

De dit jaar ingegane integratie van het speciaal en regulier voortgezet onderwijs kan tot schrijnende onrechtvaardigheid leiden. De onduidelijke criteria wekken zowel bij ouders als bij de scholen frustratie en boosheid op.

Een meisje met het syndroom van Down dat nu nog op een speciale basisschool zit en goed kan spellen is volgens de huidige criteria te goed voor een vervolgopleiding in het praktijkonderwijs. Dat is de bizarre praktijk van de integratie van het speciaal en het regulier voortgezet onderwijs in het kader van `Weer samen naar school'.

Sinds 1 augustus zijn het Voortgezet Speciaal Onderwijs (VSO)-MLK en -LOM met het IVBO, VBO en Mavo opgegaan in het VMBO, het Voorbereidend Middelbaar Beroepsonderwijs. Zo blijven alleen voor leerlingen met zeer zware leer- en/of opvoedingsmoeilijkheden speciale scholen bestaan. Binnen het VMBO zijn speciale voorzieningen getroffen voor `zorgleerlingen'. Zij komen terecht in het praktijkonderwijs of het leerwegondersteunend onderwijs. Althans, zo zou het moeten gaan. ``Met de huidige criteria moet ik zo'n zestig tot zeventig procent van de aanvragen voor het leerwegondersteunend onderwijs afwijzen, en ruim dertig procent voor het praktijkonderwijs. Dat levert zowel bij ouders als bij scholen een hoop boosheid, frustratie en onzekerheid op'', zegt Els de Greef, secretaris van de Regionale Verwijzings Commissie (RVC Haaglanden. Voor het meisje met Down zou dit betekenen dat zij in een gewone eerste klas van het VMBO terechtkomt en geen aanspraak kan maken op speciale ondersteuning, omdat daarvoor financiering ontbreekt.

In totaal zestien regionaal opererende RVC's bepalen of een leerling al dan niet kan worden toegelaten tot het praktijk- of leerwegondersteunend onderwijs. Tot en met vorig jaar deden de scholen dit zelf, maar met de nieuwe organisatie wil men uniformiteit creëren in het toelatingsbeleid.

Twee factoren zijn bepalend voor het al dan niet goedkeuren van een aanvraag. Allereerst moet het dossier dat de school per leerling indient volledig zijn. Er moeten onderwijskundige testen zijn gedaan om het niveau van de leerling te bepalen. Voor zowel de aanvragende school als de RVC's is dit het eerste struikelblok, want nog niet alle scholen, zowel in het basisonderwijs als in het voortgezet onderwijs, hebben een dossier over hun leerlingen, en als er al een dossier bestaat ziet dat er op iedere school anders uit. Aan de hand van het dossier wordt vervolgens beoordeeld of de leerling aan alle criteria voldoet. Dat gebeurt heel strikt.

Alle criteria wegen even zwaar: het IQ, de vaardigheden op de gebieden spelling, technisch lezen, begrijpend lezen en rekenen en tot slot in sommige gevallen de sociaal-emotionele ontwikkeling van het kind. Hierdoor ontstaan curieuze situaties, zoals een ernstig dyslecticus, die wel goed kan rekenen en daarom niet in aanmerking komt voor het leerwegondersteunend onderwijs. Ook kinderen met bepaalde gedragsstoornissen, zoals Gilles de la Tourette en bepaalde vormen van autisme vallen hierdoor in theorie buiten de boot.

Het gevolg is dat er spanning ontstaat tussen de professionele instelling van de mensen die bij de RVC's werken en de afspraak dat zij strikt de criteria zullen toepassen, aldus Jan Timmer, senior beleidsmedewerker van de vereniging van Onderwijsbelegeleidingsdiensten (WPRO). ``Zij hebben nu geen enkele ruimte voor interpretatie en dat wringt wel eens.'' Dat is ook de ervaring van De Greef: ``In je werk heb je toch twee petten op: enerzijds doe ik mijn taak, maar ik ben ook de pedagoog die meeleeft met de ouders.'' Het waren de huilende moeders aan de telefoon die De Greef ertoe brachten haar brieven met een negatief advies (gebaseerd op de vaardigheden van het kind, niet wegens een incompleet dossier) te beëindigen met een bijzondere zin: ``Overigens vindt de RVC een plaatsing op het leerwegondersteunend onderwijs voor X een goede keuze, zij heeft slechts de criteria van OC&W toegepast.'' Het lijkt ambtelijke wanhoop: `Ik wil wel, maar ik kan niet'. De Greef ziet het anders: ``Ik sta vreselijk achter wat er allemaal gebeurt, maar met die zin wil ik de ouders geruststellen. Er is veel te weinig voorlichting geweest over deze materie. Ouders wisten vaak niet eens dat ze van ons zo'n brief zouden krijgen. Zo probeer ik een beetje uit te leggen wat er gaande is.''

Dit jaar is er met zo'n negatief advies overigens geen man overboord, omdat het een proefjaar is. Scholen kunnen `beargumenteerd' bezwaar aantekenen en krijgen dan sowieso hun aanvraag gehonoreerd. Maar hoe gaat dat volgend jaar? ``Het lijkt erop dat het een verkapte bezuinigingsmaatregel is'', meent Peter Reenalda, directeur van het Overbosch College in Den Haag, dat slechts zeven van de vijfenveertig aanvragen gehonoreerd zag. Dat wordt echter door het ministerie van OC&W stellig ontkend: ``Het geld dat voorheen voor het IVBO, het VSO-LOM en VSO-MLK beschikbaar was, blijft beschikbaar.'' Dat betekent dus dat de toelatingscriteria versoepeld zullen moeten worden. Hoe dat zal gaan gebeuren is nog niet bekend. Momenteel onderzoekt de WPRO, in samenwerking met het SCO Kohnstamm Instituut, de bevindingen van alle zestien regionaal opererende RVC's, evenals hun ideeën over mogelijke verbeteringen. Eind september zullen de uitkomsten hiervan aan het ministerie van Onderwijs overhandigd worden. ``Waar het op lijkt is dat het landelijke eindbeeld ten aanzien van adviezen voor het leerwegondersteunend onderwijs in betrekkelijk grote mate, wellicht in meerderheid, negatief zal uitvallen'', Jan Timmer, vooruitlopend op die resultaten.

Timmer zal in zijn rapportage aan het ministerie van Onderwijs in ieder geval ingaan op de ideeën die de verschillende RVC's hebben voor de aanpak van de problematiek, vertelt hij. ``Je kunt je afvragen of de grenzen die in de criteria zijn opgenomen kloppen en of je makkelijk met die grenzen kunt omgaan. Moet je niet meer ruimte geven aan de deskundigheid van de RVC'ers?'' De Greef ziet verschillende mogelijkheden om de ontstane situatie te verbeteren. ``Samen met de scholen moeten we er naar gaan streven dat zij volledige dossiers gaan bijhouden. Dat is stap één en zou wellicht de helft kunnen schelen in het aantal positieve adviezen. Een voorbeeld: van de aanvragen uit een grote gemeente hier heb ik 38 procent van de leerlingen afgewezen op technisch lezen. Maar daarvan is 26 procent te wijten aan ontbrekende gegevens. Daarnaast denk ik ook dat er met de criteria een hoop mis is. Met name het nevenschikkende karakter van de criteria is funest. Het zou al veel schelen als dat aangepast zou worden.''

Hoe strikt de criteria ook zijn waar de RVC's nu mee moeten werken, er zijn in ieder geval criteria. Dat is niet het geval voor de beoordeling van leerlingen die van andere middelbare scholen komen (de zij-instroom), noch voor kinderen die rechtstreeks uit het buitenland komen. Voor hen zijn nog helemaal geen criteria voor ontwikkeld. ``Nu hanteren we dezelfde criteria als voor basisschoolleerlingen uit groep acht, maar ik kan een leerling uit twee VBO toch niet op dezelfde criteria beoordelen?'' zegt De Greef. ``Zo'n leerling heeft andere vaardigheden. Als ik een dossier krijg met een acht voor koken en een drie voor Engels, waar blijf ik dan met mijn criteria voor technisch en begrijpend lezen?'' Het ministerie van OC&W verwacht dat dit najaar de criteria bekend zullen worden. Tot die tijd houdt De Greef de dossiers van de desbetreffende leerlingen keurig bij en keurt zij de aanvragen gewoon goed.