Zuiverheid gaat boven het leven

Was Wittgenstein een filosoof? Een bevestigend antwoord op die vraag ligt voor de hand, maar vooronderstelt dat we weten wat filosofie is en wat filosofische uitspraken zijn. Wittgenstein zelf heeft nu juist betoogd dat dit allerminst duidelijk is. Aan het slot van zijn eerste hoofdwerk, de Tractatus Logico-Philosophicus stelt hij dat wijsgerige uitspraken, zelfs die in zijn eigen boek, betekenisloos zijn en dat diegenen die zijn werk begrepen hebben het kunnen weggooien, als een ladder waarop men omhooggeklommen is.

In zijn tweede hoofdwerk, de Philosophische Untersuchungen, vat hij filosofie op als een therapeutische activiteit die ons verstand moet genezen van `de beheksing' door de taal. Het is dan ook verleidelijk om Wittgenstein te beschouwen als de schrijver van een tekst waarin filosofen een demasqué van wijsgerige problemen lezen en postmoderne lezers een duiding van de mens die zich in de wereld van de taal heeft teruggetrokken en zich wil zuiveren van alles wat naar de wereld verwijst. Door verschillende biografieën, zoals The duty of genius van Ray Monk, wordt bovendien een mythologie van een schrijverschap gecreëerd en Wittgensteins oeuvre overeenkomstig geïnterpreteerd: de Tractatus als een mystiek logisch-semantisch gedicht, de Filosofische Onderzoekingen als een zoektocht naar de mens in de wereld van de taal.

Levensproblemen

Dit beeld wordt versterkt door de gestage stroom van publicaties uit de nalatenschap waaruit blijkt dat Wittgenstein zich niet slechts bezighield met filosofische vragen, maar ook met muziek, literatuur en zelfs met levensproblemen. Ook de dagboeken uit de jaren dertig, gepubliceerd in 1997 en nu vertaald als Denkbewegingen, getuigen van zijn brede belangstelling. Zowel de Duitse als de Nederlandse uitgever beweert onomwonden dat deze dagboeken `een sleutel bieden tot zijn latere werk' en de `nauwe band aantonen tussen zijn levensproblemen en zijn filosofische denkwijze'. Maar is dat zo? Moet een filosoof die Wittgenstein bestudeert ook deze dagboeken lezen?

In het geval van een schrijver worden dagboeken die niet voor publicatie bestemd zijn, toch uitgegeven omdat men hoopt opmerkingen aan te treffen die kunnen helpen zijn werk te duiden. De behoefte aan een sleutel tot de raadselen van dat werk moet ook de motivatie zijn geweest om deze dagboeken uit te geven. Die sleutel, het grondthema bij Wittgenstein, is zuivering. In de Tractatus moet de logica gezuiverd worden van noties die zijn ontleend aan de psychologie of de kennisleer. `De logica moet voor zichzelf zorgen', meende Wittgenstein. In de Filosofische Onderzoekingen moet het verstand gezuiverd worden van filosofische problemen door een beschrijving te geven van feitelijk taalgebruik, hoe moeilijk dat ook is. Uit deze dagboeken blijkt dat Wittgenstein ook zuiver wilde leven. In de periode waarin het eerste deel van deze dagboeken geschreven is, 1930-1931, is hij verliefd op de Zwitserse Marguerite Respingen. Uiteraard moet ook deze liefde zuiver zijn. Hij schrijft: `Ik heb nu het gevoel alsof ik (innerlijk) het klooster in moet, mocht ik Marguerite verliezen.' Maar hij vervolgt: `De gedachte aan een burgerlijke verloving van Marguerite maakt me onpasselijk.' De relatie loopt dan ook op niets uit.

Het tweede gedeelte is geschreven in Noorwegen, waar Wittgenstein zich in 1936 had teruggetrokken om na te denken over filosofie en zijn liefdesrelatie met Francis Skinner. In de dagboeken worstelt hij vooral met de vraag of hij zuiver en oprecht kan geloven. Wittgenstein zocht die zuiverheid volledig in zichzelf en voor zichzelf, hoewel we uit de diverse biografieën weten dat hij ook van anderen zulke zuiverheid eiste. Hij was egocentrisch en voortdurend bezig met de constructie van zijn zelfbeeld. Wittgenstein was zioch daarvan bewust: `Vrijwel geen van mijn opmerkingen waarin ik mezelf berisp, is geheel zonder het gevoel geschreven dat het toch maar mooi is dat ik mijn fouten inzie.'

Iemand met een dergelijke levenshouding kan niet simpelweg geloven. Voor Wittgenstein is de vraag of hij in God gelooft uiteindelijk de vraag of het in zijn zelfbeeld past dat hij gelovig is. God wordt dan een projectie van de menselijke geest en kan niet langer het opperwezen zijn in de palm van wiens hand de gelovige zichzelf veilig waant. Dit verklaart ook waarom Wittgenstein zijn levenlang jaloers is geweest op het eenvoudige godsvertrouwen dat hij aantrof bij boeren op het Oostenrijkse platteland. Die levensvorm was voor Wittgenstein niet leefbaar.

Dromen

Wat tevens opvalt in deze dagboeken is dat Wittgenstein, wanneer hij nadenkt over zijn levensproblemen, niet de methode volgt om filosofische problemen op te lossen die hij in de Filosofische Onderzoekingen aanbeveelt. Daar luidt het devies: `Vermijd het filosofische gebruik van woorden en kijk hoe ze in de dagelijkse omgangstaal toegepast worden. Dan verdwijnen filosofische problemen vanzelf!' Dat Wittgenstein die methode niet toepast in zijn dagboeken betekent dat hij een scherpe scheiding maakt tussen filosofische problemen en levensproblemen. Dit pleit tegen de stelling van de uitgevers dat zijn dagboeken een sleutel bieden tot zijn filosofische werk. In de Tractatus en de Filosofische Onderzoekingen lost Wittgenstein geen levensproblemen op, maar filosofische vragen. In de Dagboeken is hij een chroniqueur van dromen en vragen die hem kwellen, maar geen filosoof.

Hoezeer het beeld van Wittgenstein de lezing van zijn werk kan beïnvloeden blijkt uit Language and Solitude, een postuum verschenen werk van de socioloog Ernest Gellner, die in Engeland bekend is geworden door zijn boek Word and Things, een ongenuanceerde aanval op de filosofie van de gewone taal zoals die in Oxford werd gepraktizeerd in de jaren vijftig. Gellner begint op het eerste gezicht veelbelovend met het schetsen van wat hij het `Habsburgse dilemma' noemt. Het Habsburgse rijk was een multiculturele samenleving waarin de inwoners hun persoonlijke identiteit niet in de eerste plaats ontleenden aan het feit dat ze staatsburgers waren. Door de opkomst van de ambtenarij kwam hierin volgens Gellner verandering. Het ambtenarenapparaat was nationaal en moest zich uiteraard bedienen van één taal, het Duits. Opeens maakte het dus wel uit welke taal je moeder sprak en derhalve tot welke culturele eenheid je behoorde. In het ambtenarenapparaat verschenen nu de van oudsher ontheemden aan de top; individualisten die voor zichzelf opkwamen en geen last hadden van een aan hun geboortegrond ontleende identiteit. Het Habsburgse dilemma is nu, wat je als lid van zo'n samenleving moet doen: word je individualist of ga je op in de gemeenschap?

Levensvorm

Gellner leest Wittgensteins oeuvre nu als volgt. De vroege Wittgenstein van de Tractatus koos voor het individualisme; de latere Wittgenstein van de Filosofische Onderzoekingen voor de culturele gemeenschap. De Tractatus is het werk van een solist die spreekt over eenzame, atomaire feiten en uitkomt op een mystiek beleefd solipsisme. De kernthese van de Onderzoekingen is daarentegen: `betekenis is gebruik'. Het spreken van een taal is een spel met woorden, dat gebonden is aan regels, die op hun beurt zijn ingebed in een gedeelde `levensvorm'. Die levensvorm is bepaald door het feit dat wij mensen zijn, maar ook door de culturele gemeenschap waarvan wij deel uitmaken. Om zijn interpretatie aannemelijk te maken citeert Gellner lukraak uit Wittgensteins werk zonder acht te slaan op de context. Die is uiteraard het `oplossen' van filosofische problemen, en niet het hanteren van een dilemma dat Gellner achteraf meent te ontwaren voor inwoners van het Habsburgse rijk maar dat voor henzelf niet bestond. Gellner lijkt daar niet om te geven. Hij schrijft: `Ik voel dat ik (Wittgensteins) motieven kan raden, maar niet zijn redenen. Zijn motieven zijn belangrijker.'

Door zulke wilde interpretaties ga je terugverlangen naar de dagen van de `close reading', waarin het nog uitsluitend om de tekst ging en biografische gegevens uit den boze waren. Wittgenstein was een geniaal filosoof, omdat hij een wijsgerig inzicht had dat alleen met dat van Plato en Descartes vergeleken kan worden.

Het boek van Gellner is illustratief voor een keur van interpretaties die uitgaan van de biografie, of parafernalia als de dagboeken, en niet van filosofische problemen. Door zulke interpretaties wordt begrijpelijk waarom Elizabeth Anscombe, één van Wittgensteins trouwste leerlingen, het ooit zei te betreuren dat hij een cult-figuur was geworden. Wittgenstein was een moeilijke denker wiens genie zich volgens haar slechts openbaarde aan mensen die de moeite hadden genomen intensief na te denken over dezelfde problemen. Was hij een filosoof? Haar antwoord luidde: `Wittgenstein is een filosoof voor filosofen.'

Ludwig Wittgenstein: Denkbewegingen. Dagboeken 1930-1932, 1936-1937. Vertaald door Wilfred Oranje. Boom, 156 blz. ƒ38,50

Ernest Gellner: Language and Solitude. Wittgenstein, Malinowski and the Habsburg Dilemma. Cambridge University Press, 209 blz. ƒ54,– (pbk)