Wat stelt een kruisiging nu helemaal voor?

Reaktion Books staat voor prachtige vormgeving, rijke illustratie, ruimte om ideeën uiteen te zetten, en wetenschappelijk prestige. In de serie Picturing History is het boek over de verbeelding van de kruisiging van de Noord-Amerikaanse kunsthistoricus Mitchell B. Merback, een schot in de roos. Het past in een nieuwe stroming die wel aangeduid wordt als `visuele cultuurgeschiedenis', `beeld en cultuur', of `picturing history'. Daarin wordt afstand genomen van `internalistische' kunsthistorische werkwijzen, waarin kunst vooral onder verwijzing naar andere kunst geïnterpreteerd wordt en beeldtradities geacht worden zich volgens een eigen, betrekkelijk autonome dynamiek te ontwikkelen. In deze nieuwe stroming ligt de nadruk op de receptie van kunstwerken en is er veel belangstelling voor de actieve rol van de kijker in verleden en heden. Dat leidt tot vragen over de manier waarop zowel afbeeldingen als historische interpretaties van kunst beïnvloed worden door de cultuur van het betrokken tijdperk. Kunst in een cultuurhistorische context dus.

Dat is precies wat Merback nastreeft: hij stelt de vraag wat middeleeuwse en vroeg-moderne kijkers eigenlijk zagen wanneer ze keken naar afbeeldingen (vooral schilderijen) van de kruisiging van Christus. De Christusfiguur zelf staat in dit verhaal niet centraal, omdat naar Merbacks opvatting de verbeelding van Christus' dood aan het kruis in de schilderkunst te zeer bepaald is door vaste modellen van stilering om vrije interpretatie en het `insluipen' van cultuurelementen uit de historische praktijk toe te laten. Daarentegen konden kunstenaars zich veel meer vrijheden permitteren in de afbeelding van de twee samen met Christus gekruisigde dieven: de slechte dief Gestas, die geen berouw toonde, en de berouwvolle zondaar Dysmas. Merbacks boek bestaat dan ook uit een wijdlopige speurtocht naar de verschillende wijzen waarop de kruisiging van deze twee dieven is afgebeeld, en naar de culturele achtergrond van die manieren van afbeelden. Vaak gaat het om heel prozaïsche en meestal nogal gruwelijke details: hangt de dief met de armen achterovergebogen aan het kruis, zijn de benen vastgebonden of werden er spijkers gebruikt, zijn de ledematen gebroken en verwrongen, wat voor soort verwondingen zijn afgebeeld, etcetera. Indien, zo vat Merback de kern van zijn boek samen, de esthetische invloed en culturele waarde van realistische voorstellingen afhankelijk is van een soort `continuïteit' tussen de wereld die in de afbeelding geconstrueerd wordt en de wereld waarvoor deze afbeelding gemaakt werd, dan zou men moeten gaan zoeken naar verbindingen tussen het gerechtelijk geweld van de kruisiging op de afbeelding en het geweld van de feitelijke openbare executies in deze eeuwen. Dat is maar de vraag. Een elementair probleem is dat de kruisdood als straf in de Europese geschiedenis na de Romeinse tijd niet meer voorkwam. Bovendien spreekt het niet vanzelf dat de meest relevante continuïteit met de historische omgeving in dit geval de gerechtelijke praktijk zou moeten zijn. Misschien is het wel even belangrijk dergelijke verbindingen te zoeken op het gebied van het toenmalige volkstoneel of de processies.

Waarom Merback zich uitsluitend op de gerechtelijke context heeft gericht blijft onduidelijk, zo goed als hij ook nergens in zijn studie uitlegt waarom hij eigenlijk alleen maar heeft gekeken naar afbeeldingen van de kruisiging van de twee dieven die behoren tot het domein van de `hoge' kunst. Op theoretisch niveau ligt bovendien in Merbacks uitgangspunt een nogal simplistische opvatting van realisme besloten, die opvallend genoeg door hem zelf elders in deze studie gekritiseerd wordt. Daar wijst hij er namelijk op dat het te eenvoudig is om alleen maar op elementen van de toenmalige strafpraktijk te wijzen die als het ware in de afbeelding van de kruisiging geslopen zijn. Het is allemaal veel ingewikkelder: in de afbeeldingen gaat het steeds om fragmentarische en gecodeerde verwijzingen die hij tracht te ontrafelen.

Voeg dit soort tegenstrijdigheden in zijn uitgangspunten bij een groot aantal rommelige redeneringen en een slordig taalgebruik vol grammaticale kronkels en quasi-geleerd jargon, en het effect bij de lezer is ergernis en teleurstelling. Merback weet veel over de kunstwerken waarover hij schrijft, en heeft zich op een verdienstelijke manier ingelezen in het complexe terrein van strafvoltrekkingen en rituele devotie. Juist omdat hij vraagstukken aansnijdt op het nieuwe terrein van de visuele cultuurgeschiedenis had hij echter beter wat meer kunnen nadenken over zijn aanpak en uitgangspunten. Dan had hij zelf gemerkt dat minstens twee cruciale aspecten nergens ter sprake komen: geen woord wordt vuil gemaakt aan de talloze toeschouwers op de schilderijen, noch gaat hij in de op de vraag wie nu eigenlijk de kijkers naar deze kunstwerken zijn wier interpretaties hij tracht te reconstrueren. Het kan toch nauwelijks irrelevant zijn of het gaat om mannen of vrouwen, rijken of armen, geleerden of ongeletterden, Noord- of Zuid-Europeanen, katholieken of protestanten.

Een tweede groot probleem is Merbacks slordigheid ten aanzien van zowel chronologie als geografie. Zijn typering van de Reformatie als breukvlak zou bijvoorbeeld niet misstaan hebben in een handboekje voor middelbare scholieren uit de jaren vijftig. Door de Reformatie bovendien in het laatste hoofdstuk onder te brengen wekt hij de indruk dat alle eerdere hoofdstukken betrekking hadden op het tijdperk vóór dit breukvlak. Ook daarin komen echter voortdurend kunstwerken aan de orde uit zowel de veertiende, vijftiende en zestiende eeuw. Tegelijk wordt daar kennelijk als vanzelfsprekend aangenomen dat al hun beschouwers – ook de zestiende-eeuwse – tot de katholieke wereld behoorden. Hoewel Merback steeds spreekt over Europa, komen vrijwel nooit andere gebieden aan de orde dan de Duitstalige, de Nederlanden en in aanzienlijk mindere mate Italië. Hij schijnt niet gemerkt te hebben dat zo'n 80 tot 90 procent van alle illustraties (en besproken kunstwerken) in zijn boek betrekking hebben op Duitsland en de Nederlanden gedurende de vijftiende en zestiende eeuw. Als het gaat om een zoektocht naar relevante contexten, moet toch op zijn minst de vraag opkomen wat een lezer dan heeft aan een lange verhandeling over Franciscanen en Italiaanse devotie in de vroegere Middeleeuwen. Het cruciale probleem is echter dat Merback niet duidelijk weet te maken wat nu precies het belang is van het traceren van `realistische' elementen uit de historische strafpraktijk voor zijn poging manieren van kijken uit de late Middeleeuwen en Renaissance te reconstrueren.

The Thief, the Cross and the Wheel is mislukt – maar als dit boek één verdienste heeft, dan is het wel dat het aangeeft tot welke fascinerende nieuwe vragen en onderzoekingen visuele cultuur of `picturing history' aanleiding kan geven.

Mitchell B. Merback: The Thief, the Cross and the Wheel. Crucifixion and Capital Punishment in Medieval and Renaissance Europe. Reaktion Books, in de reeks Picturing History, 352 blz. ƒ99,50