Waar is het bargoens gebleven?

Sinds de jaren vijftig is in Nederland geen uitgebreid oorspronkelijk onderzoek naar het bargoens verricht, schrijft Ewoud Sanders in zijn inleiding tot Boeventaal & Gabbertaal, de facsimile herdruk van twee bargoense woordenboekjes uit het begin van deze eeuw. Hoe is dat mogelijk? Twee antwoorden: òf er zijn geen mensen meer die zich van zo'n geheimtaal hoeven te bedienen omdat allen braaf zijn geworden, òf de zeden en gewoonten van de oorspronkelijk bargoens sprekenden zijn zo gedemocratiseerd dat hun taal in het algemeen spraakgebruik is opgenomen. Er is geen grondig onderzoek, en dus weten we het niet. Om een paar voorbeelden te noemen: ieder beschaafd mens dat met zijn tijd meegaat, weet wel wat een `lijntje' is.

Maar bestaat er ook een uitdrukking voor handelen met voorkennis die alleen wordt gebruikt door de voorkennishandelaren? Als ik zeg: die man heeft een miesponem, wordt dat dan nog door jongeren begrepen? Steeds minder. Daaruit volgt in ieder geval dat je met het gebruik van bargoens voorzichtig moet zijn, want voor je het weet hoor je bij de `bejaarden' die we zo vlug mogelijk van het veld af moeten schoppen. Het lezen in en van deze woordenboekjes is als het bekijken van vooroorlogse geïllusteerde tijdschriften, of beter nog, de foto's van Jacob Olie. De mannen uit de hogere standen dragen gleufhoeden, de arbeidende klasse heeft een pet op, en de keien van het plaveisel hebben een soort vuilheid, een smoezeligheid die voorgoed voorbij is. Iedere tijd heeft ook zijn eigen vuil.

Dat er al bijna een halve eeuw geen serieus onderzoek is gedaan, zou bijvoorbeeld betekenen dat het begin, de eerste bloei van de tweedehandsautohandel niet lexografisch is vastgelegd. `Kijk', zei Tonio Hildebrand die in dit vak zat, `Daar heb je een kluivenduiker'. Het was in een café in de buurt van een automarkt. Hij wees op een geestelijke aan een tafeltje verderop. Hij legde uit. Er komen hier mensen die een auto willen kopen, maar onzeker zijn omdat ze er geen verstand van hebben en niet veel goeds over de handelaren hebben gehoord. Dat kun je aan die klanten zien. Dan gaat deze geestelijke aan hun tafeltje zitten en begint een gesprek. `Bent u op zoek naar een goede gebruikte auto?' `Ja eerwaarde.' Met gedempte stem gaat hij verder: `Dat zag ik al, maar u moet hier zeer voorzichtig zijn', en hij vertelt dat in dit café goed beschouwd maar één handelaar betrouwbaar is. `Die zit daar.' Hij wijst. Van hem koopt de buitenman zijn auto en rijdt weg. De geestelijke gaat naar de handelaar, houdt zijn hand onder tafel, hij laat zijn hand duiken, en krijgt zijn kluif. In andere branches heet het provisie.

Intussen zal de autohandel ook wel een evolutie hebben doorgemaakt, hoewel je van tijd tot tijd nog hoort van iemand die `een strak autootje' heeft gekocht. Het heeft altijd bij een oude dame in de garage gestaan – er zit niet meer dan 5000 op de klok – en bij de 5001ste kilometer blijkt dat `de garantie tot de hoek' geldt. Het is niet vastgelegd, het gaat verloren.

De auteur-lexicograaf van het eerste boekje in deze band is W.L.H. Köster Henke, politiecommissaris. Daaruit blijkt weer hoe waardevol politiemensen ook op andere gebieden dan dat van de veiligheid op straat zijn. Denk ook aan commissaris H.J. Voordewind, de verteller. In zijn inleiding citeert Sanders uit de memoires van de veelzijdige ordebewaarder Köster: `Het duurde niet lang of de sabels moesten worden getrokken en nadat daarmee de noodige klappen waren uitgedeeld, hadden we de menschen op eenigen afstand en de arrestanten met hun geleiders in ons midden. Nu begon, steeds vechtende en slaande, blootgesteld aan projectielen van het grauw, de terugtocht op het bureau. Onder voortdurend verzet van de arrestanten en bestookt door honderden met stokken, en steenen of andere voorwerpen gewapende mannen en vrouwen, ging het langzaam voorwaarts. Eindelijk hadden we het bureau bereikt. (-) Onze plicht gebood ons er weer op uit te gaan en de café's te ontruimen.'

Waren daar, is het eerste wat ik dacht, op het bureau geen traumateams, was er geen opvang voor de agenten? Waren er geen geweldloze zones afgebakend? Misschien zijn de agenten even een jajempie wezen kienen en daarna was het weer haberdoedassen tegen het geteisem.

In het bargoens van de boekbespreker zou je zeggen: `Boeventaal & Gabbertaal is een kostelijk boekje'. Het is behalve lexicografie ook een uitnodiging voor het vergelijken van tijdvakken. De inleiding bevat prachtige biografietjes van de twee lexicografen, de genoemde commissaris en de ongelukkige onderwijzer-dichter-schrijver E.G.van Bolhuis. Het is uitgegeven door de Bijenkorf en het kost ƒ 17,50.