Verwoestingen van de vrijheid

In Frankrijk is een storm opgestoken over een 0cultuurkritische roman van Michel Houellebecq, die nu in het Nederlands is vertaald. Houellebecq zet genadeloos het mes in de verworvenheden van mei `68.

`Waarom zijn jullie zo cool?', vraagt Michel Houellebecq de Nederlanders in een interview met Margot Dijkgraaf (CS van 27 augustus). Of we werkelijk zo `cool' zijn, blijft natuurlijk de vraag. Maar het is waar: een roman als Houellebecqs Les particules élémentaires (waarvan zojuist een zeer leesbare vertaling van de hand van Martin de Haan is verschenen) zal niet gauw door een Nederlander worden geschreven. Het soort cultuurkritiek waaraan Houellebecq een ongewone literaire vorm heeft weten te geven, importeren we liever uit het buitenland.

Allan Bloom, Alain Finkielkraut, Botho Strauss – ook in Nederland hebben ze met hun ondergangsprofetieën discussie uitgelokt. Maar waagt een Nederlander zich aan het genre, dan houdt hij het toch liever positief, getuige oud-premier Lubbers en diens lofzang op de `kritische' waarde van de cultuur in de Volkskrant van afgelopen week. Met apocalyptische dreigementen hebben we vroeger in de kerk al genoeg te stellen gehad.

Daarbij komt dat zulke cultuurkritiek (waarin het altijd vijf voor twaalf is) wel erg vaak op hetzelfde aambeeld hamert. Je moet een begenadigd auteur als Houellebecq zijn om dat te doen vergeten. Wat hij schrijft over de verwoestende werking van het liberale individualisme, met zijn consumptiecultuur, narcistische seks-obsessie, normverlies en uiteindelijk geweld, verschilt alleen door de literaire vorm van wat ook elders kan worden vernomen.

Doodsdrift

Toch is dat verschil niet te verwaarlozen. Niet alleen omdat het verhaal over de halfbroers Bruno en Michel (de een hopeloos aan seks verslaafd, de ander een ascetische bioloog) zo meeslepend is geschreven dat je de roman moeilijk kunt wegleggen, maar ook omdat de cultuurkritiek die aan hun beider levensgeschiedenis is opgehangen een geschiedfilosofische context krijgt, die eveneens als een literair middel wordt ingezet. Verhaal en filosofie vloeien op de vleugelen van de verbeelding ineen, met als gevolg dat de nadelige effecten van de cultuurkritische monotonie op verrassende wijze uitblijven.

Houellebecq presenteert de doodsdrift van het individualisme binnen het kader van een `metafysische omwenteling' (zoals Martin de Haan het oorspronkelijke `mutation' vertaalt, waardoor helaas de biologische connotatie – zo cruciaal in deze roman – verloren gaat). De geschiedenis bestaat bij hem uit een opeenvolging van zulke `metafysische omwentelingen', waaraan alle sectoren van het leven onderworpen zijn.

Het Christendom was zo'n omwenteling, die voorgoed een eind had gemaakt aan de heidense wereld van de oudheid. Op dezelfde manier maakte de moderne wetenschap sinds de zeventiende eeuw een eind aan de christelijke wereldbeschouwing, die werd vervangen door een materialisme, waarvan we volgens de schrijver nu de voltooiing én uitputting beleven. Hoe weet Houellebecq dat? Goede vraag. Maar in de roman is het niet Houellebecq die dit weet; zijn verteller weet het, en deze – lange tijd raadselachtige – verteller bevindt zich aan gene zijde van een nieuwe, derde `metafysische omwenteling'.

Dit is geen recensie van Elementaire deeltjes (die heeft Margot Dijkgraaf al op 30 oktober 1998 in dit katern gepubliceerd, nadat het Franse origineel was verschenen). Wie de roman nog niet kent doet er dus verstandig aan even te wachten met verder lezen, tot hij of zij het boek uit heeft. Want ik ontkom er niet aan de ontknoping, die de hele roman in een ander licht stelt, hier te verklappen.

De raadselachtige verteller blijkt namelijk in het jaar 2079 te leven en is een vertegenwoordiger van een nieuw, gekloond mensdom, bevrijd van de dodelijke bijwerking van de geslachtsdrift. De roman, zo lezen we in de epiloog, wil een eerbetoon zijn aan de bijna uitgestorven mensheid, aan wier `dromen' een nieuwe, onsterfelijke levensvorm is ontsproten. Vandaar de koele, analytische, vaak cynisch aandoende verteltrant. De verteller maakt geen deel meer uit van de wereld waarover hij vertelt, als een afstandelijk bioloog bericht hij over een evolutionaire fase die achter hem ligt.

Science fiction

Dat riekt naar science fiction, in de trant van Aldous Huxley (die evenals zijn broer Julian in de roman uitvoerig ter sprake komt) of H.G. Wells, auteurs die evenmin voor cultuurkritiek in hun literaire werk terugschrokken. Houellebecq laat alleen nauwelijks iets zien van de nieuwe wereld, die de derde `metafysische omwenteling' tot stand heeft gebracht. Zijn boek is weliswaar een soort toekomstroman, dankzij de identiteit van de verteller, maar de utopische precisie van de meeste cultuurkritische science fiction ontbreekt volledig. Vrijwel de hele tekst gaat over de voorbije menselijke wereld. En in de twee gedichten die het nieuwe bezingen, ligt de nadruk op het verschil met het oude; over de toestand na de `omwenteling' wordt uitsluitend in vage termen (`leven in het licht', `een nieuwe wet', `een nieuw begin') gesproken.

Beide gedichten hebben iets van religieuze gezangen, terwijl de roman als geheel aan de bijbel doet denken, een bijbel voor het nieuwe mensdom dat erin kan lezen waaruit het is voortgekomen. Dat neemt niet weg dat de enige echte lezers nog altijd behoren tot onze oude mensheid. Wat kan deze fantasie over het toekomstig heil dankzij genetische manipulatie voor óns betekenen?

Terwijl ik Elementaire deeltjes aan het lezen was en veel plezier beleefde aan de vaak hilarische beschrijvingen van Bruno's worsteling met zijn libido, in een door veteranen van mei '68 gedreven camping, een naturistenpark of een klas vol onweerstaanbare schoolmeisjes, vroeg ik me af: hoe moet dit eindigen? Slecht ongetwijfeld, want het is duidelijk dat Houellebecq, ondanks de komisch-afstandelijke toonzetting, niets ziet in deze desperate jacht op het genot. De afrekening met het libertinisme van de jaren zestig en zeventig (belichaamd door de `ontaarde' moeder van de twee halfbroers) lijkt zelfs een van zijn belangrijkste drijfveren te zijn.

Gevreesd moest worden voor een obligaat pessimistisch slotakkoord, dat de moralistische boodschap er bij de lezer in zou meppen. Aanvankelijk heeft het daar ook de schijn van: Bruno eindigt in het gekkenhuis, terwijl Michel na zijn beslissende onderzoekingen te hebben afgerond de zee in loopt. Maar pas daarna volgt de ontknoping waarin de onsterfelijke verteller onthult wat Michels onderzoek heeft opgeleverd. En dat blijkt géén reden tot pessimisme te geven, al doet de achternaam van Michel – Djerzinski, zoals ook Lenins chef van de geheime politie hette – anders vermoeden. Hoogstens vraagt het van ons enige onbaatzuchtigheid, aangezien de menselijke soort gedoemd is van het aardoppervlak te verdwijnen.

In de meeste twintigste-eeuwse cultuurkritiek zijn wetenschap en techniek een bron van aanhoudende zorg. Het thema van de moderne mens die de slaaf zou zijn geworden van zijn eigen technische middelen, is misschien wel het moderne cultuurkritische thema bij uitstek. Zo niet bij Michel Houellebecq, die vrijwel de hele moderne beschaving als een liefdeloze, vercommercialiseerde monstruositeit te kijk zet, maar juist van een wetenschappelijke vinding en haar technische toepassing het toekomstig heil laat afhangen.

In zijn ogen (zijn personages spreken er vaak genoeg over) kan een maatschappij het niet zonder godsdienst stellen. De moderne wetenschap heeft de godsdienst vernietigd en er een zielloos materialisme voor in de plaats gesteld, maar quantummechanica en moleculaire biologie hebben op hun beurt het materialisme ondermijnd. Vereist is daarom een nieuwe `ontologie', aldus Houellebecq, die in overeenstemming met de huidige stand van de wetenschap de verdwenen godsdienst kan vervangen. In de nieuwe wereld van genetisch gemanipuleerde en gekloonde onsterfelijken is dit kennelijk gelukt, zoals de twee `religieuze' gedichten suggereren.

Paradijs

Nu is de combinatie van antiliberalisme en geestdrift voor wetenschap en techniek geen unicum. Ook bij sommige Duitse denkers van de zogenaamde `Conservatieve Revolutie' valt zij terug te vinden, in het bijzonder bij Ernst Jünger, voor wie het liberale individualisme eveneens ten dode is opgeschreven. Voor de liberale burger komt volgens hem de `arbeider' in de plaats, de vlees geworden techniek die als een moderne `Titaan' de `goden' van de Olympus verdrijft. Maar, zo lezen we óók bij Jünger, tenslotte zullen de goden weer terugkeren. In welke gedaante, dat zegt hij er helaas niet bij. Houellebecq legt als romancier minder behoedzaamheid aan de dag.

In de ogen van de mensen zijn wij `gelukkig', laat hij zijn verteller in de epiloog opmerken; onze wereld zouden zij een `paradijs' noemen. `Het gebeurt overigens wel eens dat we onszelf – met iets van humor dat wel – betitelen met de naam ``goden' die hen altijd zo dromerig stemde'. Als Houellebecq Jüngers ideeën kent, wat gezien diens populariteit in Frankrijk niet onwaarschijnlijk is, dan bevat zijn roman op z'n minst een originele interpretatie van deze terugkeer der goden.

Maar dat is niet het enige en ook niet het belangrijkste. Door zijn Menschendämmerung te verbinden met het heil door wetenschap en techniek herformuleert Houellebecq, op het scherp van de snede, het dilemma tussen moraal en techniek dat het hart uitmaakt van zoveel moderne cultuurkritiek. Niet door uit naam van de moraal de techniek te verketteren, maar door via de literaire verbeelding het morele probleem van een wetenschappelijke en technische oplossing te voorzien. De `ontmenselijking' die de techniek doorgaans in de schoenen wordt geschoven, blijkt bij hem letterlijk het beste te zijn wat de mensheid zou kunnen overkomen.

Of het Houellebecq daarmee ernst is, doet eigenlijk niet ter zake. Evenmin of wat hij bedacht heeft wetenschappelijk en technisch kán. Het gaat om het literaire effect van deze als optimisme vermomde shock, die voldoende dubbelzinnig is om ervoor te zorgen dat de cultuurkritiek ditmaal niet in de vrome vergeetput verdwijnt, maar zich – zelfs bij één `coole' Nederlander – ongemakkelijk in het geheugen grift.

Michel Houellebecq: Elementaire deeltjes. Uit het Frans vertaald door Martin de Haan. De Arbeiderspers, 343 blz. ƒ45,–