Terug naar de werkelijkheid

In 1997 nam Samuel IJsseling afscheid als hoogleraar hedendaagse wijsbegeerte aan de Universiteit van Leuven. Jarenlang had hij als directeur van het Husserl-archief en hoofdredacteur van het Tijdschrift voor Filosofie een centrale rol in het Nederlandstalige filosofische leven gespeeld, maar als schrijver was hij minder op de voorgrond getreden. Hij was bekend om zijn boek Retoriek en filosofie uit 1975, maar daar bleef het bij.

Pas in de jaren negentig kwam IJsseling als boekenschrijver goed `los'. In het programmatische boekje Mimesis legde hij in 1990 de hoofdlijnen van zijn denken vast. Heidegger, Nietzsche en vooral Derrida spelen daarin een grote rol. Het ging IJsseling om de ontmanteling van een tezeer `dingmatige' metafysica en om een herwaardering van de taal en het verhaal als bron en niet alleen als spiegel van de waarheid. Dat was, na zijn rehabilitatie van de retorica vijftien jaar eerder, trouwens geen verrassing meer.

In 1994 publiceerde IJsseling zijn veel bejubelde studie Apollo, Dionysos, Aphrodite en de anderen, waarin hij filosofische thema's en de narrativiteit van het mythologisch wereldbeeld koppelde. In het boek vertelde hij de Griekse godenverhalen na, maar weefde daar tegelijk filosofische beschouwingen omheen. Filosofie en literatuur, theorie en verhaal schoven in elkaar. Vier jaar later schreef IJsseling zijn kleine essay Drie godinnen. Mnemosyne, Demeter, Moira een soort appendix bij dit boek.

Hoe samenhangend de denkweg van IJsseling gedurende die decennia is geweest, blijkt uit de bundel Macht en onmacht, waarin zijn voormalige studenten Bart Vandenabeele en Pieter Van Reijbrouck twaalf opstellen hebben bijeengebracht. Ze werden geschreven in een bestek van bijna dertig jaar, vanaf i971, maar draaien steeds rond de vraag naar de reikwijdte van de taal en het denken. Al sprekend en schrijvend scheppen mensen hun wereld, maar tegelijkertijd is dat spreken en schrijven iets dat aan hen ontsnapt. Het reikt tot ver vóór hen terug (ze maken de taal niet zelf, maar krijgen hem aangereikt) en ook ver boven hen uit, want de betekenis van hun woorden hebben ze maar in heel beperkte mate in de hand.

Deze gedachte leidt vanzelf tot een kritiek op de `metafysische' opvatting dat het woord simpelweg uitspreekt wat er is. Het is wellicht eerder omgekeerd: wat er is, is er omdát er over wordt gesproken. Het `constaterende' spreken maakt daarmee plaats voor het `scheppende' spreken, waarin de retorica, de mythe en de literatuur altijd al in hun element waren.

Dat is een ingrijpende conclusie, die IJsseling in deze toegankelijke en bijna gemoedelijk geschreven opstellen met verve verdedigt. De geselecteerde essays laten goed zien hoe het ene idee zich uit het andere ontwikkelt en wat hun relevantie is voor vragen als: wat is een universiteit? wat is gezag binnen een democratie? enzovoorts. Het boekje vormt dan ook een uitstekende inleiding in IJsselings denken van de afgelopen drie decennia.

Dat betekent niet dat de samenstellers geen kritische kanttekeningen plaatsen. In hun nawoord treffen zij de Achilleshiel van elk denken dat de taal en het `vertoog' tot grondslag van de werkelijkheid maakt. Maakt het noodlot, dat IJsseling zelf in Drie godinnen ter sprake brengt, niet duidelijk dat er wel degelijk een werkelijkheid buiten de taal is, zo vragen zij zich af. Het zwakke punt van IJsselings kritiek op het `metafysische' denken is dat het uitmondt in een soort neo-idealisme waarin de werkelijkheid verdwijnt ten gunste van de taal. Zoals het klassieke idealisme van de zeventiende-eeuwse filosoof Berkeley de realiteit liet opgaan in het `waargenomen-worden', zo lijkt ze hier te gaan samenvallen met gezegd-worden of verteld-worden.

Volgens de samenstellers ontsnapt IJsseling aan dit probleem, doordat het `verteld-worden' bij hem de rol van een noodzakelijke illusie vervult. `We móeten de wereld denken (...) als een talig geheel (...) waarin wij een identiteit kunnen verkrijgen en behouden,' zo parafraseren zij zijn positie. Dat is een elegante oplossing, al wordt het idealistische spook daarmee nog niet verjaagd, maar krijgt het eerder een kantiaanse grafstem mee. De vraag hoe de werkelijkheid ècht in elkaar zit is ook dan nog niet van tafel.

Misschien is die vraag wel ons filosofische noodlot. We zijn er ooit door aangestoken en worden er sindsdien onophoudelijk mee geconfronteerd, niet alleen door de filosofie maar ook door de wetenschap en de techniek, die alleen maar bestaan dankzij de vraag hoe het er in de realiteit werkelijk voorstaat. Heidegger zag in de techniek zelfs het wezen van de metafysica terug: een denken dat meent objectief de werkelijkheid te kunnen vastleggen en op grond daarvan ook tot in alle uithoeken te kunnen beheersen. Maar die gedachte is inmiddels versleten: het `technische denken' heeft al te vaak moeten ervaren dat haar greep op de werkelijkheid veel zwakker is.

Het huidige filosofische klimaat heeft zich met techniek en (natuur)wetenschap dan ook verder weten te verzoenen dan IJsseling – in Heideggers voetspoor – voor mogelijk houdt. De twee essays over de techniek houden geen rekening met de nieuwe techniekfilosofie die inmiddels (vooral in Amerika) vorm heeft gekregen. Die hernieuwde openheid lijkt ook mogelijkheden te bieden voor een terugkeer van de metafysica, zij het in een wat bescheidener vorm. De vraag naar `wat is en wat niet is' blijft een geldige vraag, zonder dat het antwoord daarop onvermijdelijk moet uitlopen op het technische en rationalistische totalitarisme waar Heidegger zo bang voor was.

Hoe deze bescheidene metafysica gestalte moet krijgen, is een andere kwestie. Ze zal meer moeten behelzen dan de idee dat de wereld `als fabel moet worden gedacht'. Want zelfs als dat zo is, dan nog blijft de vraag pertinent hoe de werkelijkheid eruit moet zien, wil ze voor zoiets vatbaar zijn. IJsselings denken lijkt soms naar het idealistisch zwaktebod te tenderen, maar zijn positie laat ook andere mogelijkheden toe. Als hij pleit voor een `ontologie [zijnsleer] van het woord', dan kan het zwaartepunt in die formulering net zo goed bij de eerste als bij de tweede term worden gelegd. In plaats van het `zijn' op te laten gaan in de taal, kan de taal ook worden verankerd in de werkelijkheid en blijft zo een zeker realisme behouden.

Dat betekent wel dat de filosofie de notie `werkelijkheid' een centrale plaats moet blijven toekennen. Niet alleen om zelf coherent te blijven, maar ook om de band met de techniek en wetenschappen niet geheel door te snijden. Want nu die zelf vatbaar worden voor een zekere metafysische openheid, zou dat een eerder tragisch dan komisch misverstand zijn.

Samuel IJsseling: Macht en onmacht. Essays.Boom, 200 blz. ƒ38,50