Stomgelukkig met een stukje papier

Jaren geleden begon Jaap van Velzen joodse muziek, prenten en voorwerpen te verzamelen.

Al jaren is hij kind aan huis bij het Joods Historisch Museum in Amsterdam. Een druk pratende man met een wit baardje, altijd een grap klaar. In 1983 had hij er zijn eerste tentoonstelling van ansichtkaarten. In de jaren daarna vulden voorwerpen uit zijn collectie menige expositie aan met het alledaagse, menselijke aspect van de joodse geschiedenis in Nederland van voor de oorlog. `De buitendienst' noemde de voormalig directeur Judith Belinfante hem wel, omdat hij alle beurzen en veilingen afging op zoek naar kleine getuigenissen van een verdwenen wereld.

Jaap van Velzen is nu 68 jaar. Meer dan dertig jaar verzamelde hij voorwerpen uit `het leven van de gewone joodse man' en hij is co-auteur van het boek Joods Amsterdam, in een bewogen tijd. 1890-1940. Vorig jaar heeft hij zijn collectie van ongeveer 4500 ansichtkaarten, foto's, affiches, prenten, 78-toerenplaten, bladmuziek en vele andere documenten verkocht aan het museum. Van 10 september tot en met 1 december is een kleine keuze eruit te zien op de tentoonstelling Liefdewerk Oud Papier.

Jaap van Velzen werd geboren in 1931 en groeide op in de Jodenbreestraat, vier huizen van het Tip Toptheater, het joodse familietheater. Voor de oorlog lag daar het hart van de Amsterdame jodenbuurt. Tramlijn 8, na de oorlog opgeheven, ging er bij het Rembrandthuis `met een rotgier' door de bocht, de Sint Antoniesbreestraat uit. Als zijn moeder, die slecht ter been was, meereed, stopte de conducteur voor hun huis op nummer 19, zodat ze niet helemaal van de tramhalte naar huis hoefde te lopen. Alleen met Pesach reed er geen tram, dan was de hele straat afgezet en stond het vol stallen en kramen.

Zijn vader verkocht bananen op het Waterlooplein. ,,Als kind heb ik er een fantastische tijd gehad'', zegt Van Velzen. ,,De herinnering koester ik, die wil ik ook zo houden.'' Om zich heen zag hij vooral `de kleine middenstand': de straatventers, de eierhandelaar met zijn gekookte eieren, de augurkenverkoper met zijn zuurkar en Brutale Coba, de visverkoopster, van wie gezegd werd dat ze oude vissen `vers' maakte door ze op te blazen. Foto's en ansichtkaarten van deze alledaagse taferelen zijn in het museum door een speciaal vervaardigd apparaat in stereo te bekijken.

Wat Jaap van Velzen bijzonder steekt, is het vooroordeel dat hij na de oorlog vaak tegenkwam, en nu nog steeds: dat de joodse bevolking rijk was. Keer op keer herhaalt hij het: ,,Natuurlijk waren er veel geleerde en rijke joden, maar bij tachtig procent was het armoe, joden hoorden tot de armste bevolkingsgroep. Ze woonden met hele gezinnen in een kelder, of op twee hoog achter.'' Tegen dat vooroordeel heeft hij altijd iets willen doen. Het is de voornaamste reden dat hij zijn verzameling begon.

Als kind al was hij geïnteresseerd in mooie boeken en manuscripten. In zijn straat was op nummer 63 boekhandel Joachimsthal gevestigd, uitgever van het nu nog bestaande Nieuw Israëlitisch Weekblad. Foto's van het pand zitten in zijn collectie. ,,Als ik de Bijenkorf in wilde stond daar zo'n portier bij de deur in een bruin pak die zei: `jongetje wat moet je hier'. Maar bij Joachimsthal mocht alles. Beneden had je de gewone winkel, maar boven hadden ze een afdeling antiquarische en gebedenboeken. Dat was een andere wereld. Uren zat ik daar op de grond met mijn rug tegen de muur te lezen en ik werd nooit lastig gevallen.''

IJzerhandel

Van Velzen verloor in de Tweede Wereldoorlog bijna zijn hele familie. Alleen een zuster en een paar neven overleefden. Hijzelf overleefde doordat hij was ondergedoken bij een gastgezin. Na de oorlog werd hij eerst opgenomen in een joods weeshuis voor jongens. Na zijn schooltijd ging hij werken als inkoper van een ijzerhandel. In het midden van de jaren zestig zag hij op een tentoonstelling een 18e-eeuws prentje van een joodse marskramer, een man op in een verstelde broek en afgezakte kousen, met een bak vol spulletjes voor zijn buik. Zijn gezicht straalde melancholie uit, maar ook geluk.

,,Ik heb er met tranen in mijn ogen naar staan kijken, wel een halfuur lang. Dat is hem nou, dacht ik, die miljonair, die voorloper van al die rijke joden. Dat prentje wilde ik hebben, dan kon ik iedereen laten zien dat joden zo rijk niet zijn.''

Voor Van Velzen was de prent de aanzet om te gaan verzamelen. In de weekeinden liep hij alle plaatsen af waar iets van zijn gading te krijgen was. ,,Pas na een jaar of tien besefte ik waarvoor ik het deed. Ik wilde iets achterlaten om te laten zien aan mensen die die wereld niet gekend hebben. Ik heb ook veel gelezen, want je moet kennis van zaken hebben om dingen te herkennen. Ik rommelde een keer in een bak met spullen en zag een schoenlepel van Milhado liggen. En ander zegt dat misschien niets, maar ik wist dat die in de Jodenbreestraat zat. Die schoenlepel heb ik voor 150 gulden gekocht.''

Hij begon met prenten, maar dat werd al gauw te duur: ,,Mijn gezin moet er niet onder lijden. Aan een prentje van 20.000 gulden begin ik niet. Ik ruil ook vaak. Soms ga ik ergens naar toe met een droom dat ik een prachtige gravure tegenkom en kom terug met een sluitzegeltje van een joods bedrijf. Stomgelukkig met zo'n stukje papier, dat wel. Er is veel verdwenen en weggegooid. Het is soms makkelijker aan een ets van Rembrandt te komen dan aan zo'n zegeltje.

,,Maar ja, je komt uit het zakenleven en dan bouw je snel contacten op. Mensen vonden het leuk wat ik deed en dan krijg je al snel tips dat er ergens misschien iets interessants is.''

Zo ging het ook met een van zijn dierbaarste stukken. ,,Ik werd gebeld door een postzegelverzamelaar in Zaandam. Hij had een boek gekocht dat vol postzegels was geplakt, maar eronder vond hij allemaal joodse namen. We hebben de postzegels eruitgehaald en de bladzijden schoongemaakt. Het bleek een huurophalersboek te zijn geweest met de boekhouding van de huren in de jodenbuurt vanaf 1864. Een etage in de Jodenbreestraat kostte 400 gulden per jaar. Er woonden ook mensen in de kelder voor 200 gulden per jaar.''

De tentoonstelling in het Joods Historisch Museum is opgebouwd rond een aantal thema's, waaronder het joodse leven in Amsterdam, joodse instellingen, religie, beeldvorming door de eeuwen heen, de relatie met het Koningshuis en amusement. Een ander thema is de verzamelaar Jaap van Velzen zelf, die voor de expositie tien van zijn favoriete stukken heeft uitgekozen. Daaronder zijn de marskramer, het huurophalersboek, een verlovingsakte uit 1846, een poëziealbum van de dochter van rabbijn Wagenaar uit 1922 en een piepklein boekje, dat in 1575 is gedrukt bij Plantijn in Antwerpen. Het bevat de Syrische vertaling van het Nieuwe Testament in Hebreeuwse letters en het is samengebonden met een psalmenboekje uit 1574. Ene Isack Coenraedtz kocht het in 1684, zo blijkt uit een inscriptie op het titelblad van de psalmen en hij voegt eraan toe: `Joode van Amsterdam. Ich hab das mit meine eigene Hand geschrieben.' Van Velzen raakt steeds weer ontroerd als hij het ziet. ,,Die man is helemaal uit Duitsland of Polen naar Nederland gekomen en is trots dat hij kan schrijven `ik ben een jood van Amsterdam' zonder dat ze hem oppakken en mishandelen. Dat vind ik zo mooi.''

Antisemitisch

Van Velzen heeft ook een aantal spotprenten verzameld die inzicht geven in de de beeldvorming over joden door de eeuwen heen. Sommige zijn ronduit antisemitisch, andere bewegen zich in een schemergebied tussen stereotypering (geprononceerde neuzen) en antisemitisme.

Van Velzen is huiverig voor stereotypering. ,,Het heeft me van Max Tailleur altijd geïrriteerd dat hij zo overdreven `joods' moest spreken. De mensen willen dat waarschijnlijk graag horen. Voor de oorlog werkten er veel joden in de amusementswereld. Maar de liedjes gingen meestal niet over joden. Louis Davids zong bijvoorbeeld vooral over typetjes uit de Jordaan. Zoals De begrafenis van manke Nelis in de Jordaan, dat is een fantastisch lied over een gezelschap jordanezen dat naar een begrafenis gaat, in de kroeg belandt en uiteindelijk de kist onder het biljart laat staan. Die platen heb ik ook verzameld. Op de tentoonstelling is er een aantal te horen.''

Het Joods Historisch Museum is van plan ruimschoots gebruik te maken van de collectie Van Velzen in de nieuwe permanente opstelling, die in 2003 klaar moet zijn. Er komt daarin meer aandacht voor het leven van de sociale onderlaag van de joodse bevolking. Van Velzen mist zijn verzameling wel, maar heeft voorlopig genoeg om handen in het museum, waarvoor hij onder meer naar boeken voor de bibliotheek zoekt. Hij is ook opgelucht dat de collectie als één geheel blijft bestaan en volgende generaties er kennis van kunnen nemen. En wat voor hem vooral telt is dat al die naamloze burgers eindelijk de waardering krijgen die ze hebben verdiend. ,,Een van mijn mooiste momenten,'' zegt hij, ,,was een paar jaar geleden. In Berlijn was een grote tentoonstelling van joodse voorwerpen georganiseerd, waar ik ook dingen voor had geleverd. Er klopte van alles niet en ze schreven m'n naam verkeerd, maar dat kon me niet schelen. Het was zo'n voldoening dat ze me nodig hadden, mij, een jongen uit de Jodenbreestraat.''

Liefdewerk oud papier. Joods Historisch Museum, Jonas Daniël Meijerplein 2-4, Amsterdam. Van 10 september t/m 1 december. Dag. 11-17 uur.

    • Gerda Telgenhof