Rechtstaat voor de hele wereld blijkt een illusie

Amerika is niet de politieman van de wereld. Minister van Defensie Cohen herhaalde deze week dit motto om Amerika's positie te bepalen tegenover het bloedbad dat pro-Indonesische milities op het oostelijke deel van het eiland Timor hebben aangericht. De ministeriële uitspraak klinkt zorgwekkend, maar opzienbarend is zij niet. In de wereld van vandaag, zelfs de beschaafde, zijn no-go-area's, wijken waar de politie niet (meer) komt, niet onbekend. De orde wordt gehandhaafd, voorzover dat binnen de mogelijkheden van de staat, en, wereldwijd, van de internationale gemeenschap ligt. In dat laatste geval worden de grenzen van de mogelijkheden bepaald door de Verenigde Staten. Als minister Cohen zegt dat Amerika niet ingrijpt, wordt er door niemand ingegrepen.

Maar dan hebben de Verenigde Naties hier toch een verantwoordelijkheid? Vanaf Indonesië's invasie van de voormalige Portugese kolonie Oost-Timor ruim twintig jaar geleden heeft de Volkerenorganisatie Jakarta herhaaldelijk veroordeeld, en aangemaand de inlijving ongedaan te maken. Onder haar auspiciën bereikten Portugal en Indonesië dit voorjaar een akkoord hoe te handelen in de periode tussen het door president Habibie toegezegde referendum over de status van het gebied en de beoordeling door het Indonesische parlement van de uitslag. In die tussentijd zou Jakarta de verantwoordelijkheid voor orde en rust in Oost-Timor op zich nemen alsmede voor de veiligheid van toezichthoudend VN-personeel.

Nu de Indonesische regering haar deel van de afspraak niet nakomt, hebben de VN een probleem. Als organisatie beschikken zij niet over machtsmiddelen. Die moeten komen van de lidstaten en zelfs als zij die ter beschikking willen stellen, zoals nu Australië, is het wachten op een uitspraak van de Veiligheidsraad, want slechts de raad kan lidstaten machtigen tot een gewapende interventie. En in de raad is niet alleen een meerderheid nodig voor zo'n mandaat, maar ook nog eens de stem van elk der vijf permanente leden: de VS, Rusland, China, Groot-Brittannië en Frankrijk. Nederland, als roulerend lid en voor deze maand voorzitter van de raad, kan daaraan weinig veranderen, hoewel het voor het zenden van een missie naar Jakarta deze week wel het initiatief zegt te hebben genomen.

Het is weinig origineel om vast te stellen dat een internationale organisatie zo sterk is als haar leden haar willen laten zijn. Dat geldt vooral voor instituten zoals de VN, de NAVO en de OVSE, die zich op het terrein van oorlog en vrede bewegen. De afgelopen dagen is vaak gerefereerd aan Kosovo, waar de NAVO optrad toen de VN niet in beweging wensten te komen. Maar een vergelijking met Rwanda gaat eerder op. Ook in dat Midden-Afrikaanse land bevond zich een VN-missie, totdat, toen het er echt om ging en een volk werd omgebracht, die missie zich terugtrok. De internationale gemeenschap delibereerde lang genoeg met zichzelf om het geschikte moment voor ingrijpen te laten voorbijgaan. Het waren uit Oeganda terugkerende Tutsi-vluchtelingen die aan de genocide een einde maakten. Daar houdt de vergelijking dan ook op, want de Oost-Timorezen beschikken niet over een diaspora die hen te hulp kan komen.

Oost-Timor wordt nu omschreven als een hoop stenen zonder enig economisch of strategisch belang. De bevolking valt in aantal in het niet bij de tientallen miljoenen die de rest van de archipel bevolken. Het is in niemands belang om Indonesië bij het zetten van de eerste passen op weg naar een democratischer orde de pas af te snijden. Het land herstelt zich met moeite van de gevolgen van de Aziatische crisis. Economische en monetaire sancties zouden voor de Indonesische bevolking onder deze omstandigheden kwalijker gevolgen hebben dan een rechtstreeks militair ingrijpen op een afgelegen eiland. Het land wordt bovendien geconfronteerd met middelpuntvliedende krachten in Atjeh en Irian Jaya en met religieuze en etnische geweldsuitbarstingen in andere buitengewesten. Het risico van een uiteenvallen van de staat Indonesië of een militaire staatsgreep om versplintering juist te voorkomen is niet denkbeeldig.

Toch gaat zo'n opsomming van argumenten die moeten rechtvaardigen dat ingrijpen onmogelijk is, aan veel voorbij. Dat geldt ook voor de veroordeling van de zogenoemde ,,CNN-factor'' (minister Van Aartsen gisteren bij de Nederlands-Duitse conferentie) in het verlangen om toch iets te ondernemen. Het is het een of het ander. De VN, de NAVO, de OVSE voeren vrede hoog in het vaandel. De NAVO heeft van vredeshandhaving, zonodig het hardhandig afdwingen van vrede (zie Kosovo), haar bestaansreden gemaakt. Het nieuwe strategische concept van de NAVO voor het Euro-Atlantisch gebied staat in dat teken. De Europese Unie koerst aan op een Europese Defensie Identiteit die steeds minder met de noodzaak van Defensie en steeds meer met plannen voor een zelfstandige Europese vredesmacht samenhangt. Het kan dus niemand worden verweten, politici, burgers of journalisten, dat zij geloof hechten aan wat regeringen van lidstaten van eminente internationale organisaties hun als van het hoogste belang hebben voorgehouden.

Het wordt misschien tijd om eens van dat hoge podium af te komen. Het moeilijke met recht is dat het geblinddoekt hoort te zijn, zonder aanzien des persoons hoort te worden toegepast. Wie, zoals de leidende politici van het Westen, de suggestie wekt dat dit beginsel op de hele wereld kan worden toegepast, dat de gehele wereld bereid zou kunnen worden gevonden om hun Derde Weg te volgen, roept voor zichzelf een onoplosbaar probleem op. Want de mogelijkheden om naar dat beginsel te leven, zijn beperkt.

De politieman vertegenwoordigt meer dan zichzelf en zelfs meer dan de politie als geheel. Hij is de aanwezigheid op straat, in de openbare ruimte, van de rechtstaat. Afwezigheid van de politieman betekent derhalve afwezigheid van de rechtstaat. Minister Cohen erkent dit zonder het hardop te zeggen. Minister Van Aartsen reageert verbeten op uitspraken die hem dat voorhouden. Maar de suggestie van een wereldomvattende rechtstaat hebben de politieke leiders zelf gedaan. Nu het volk vaststelt dat de keizer geen kleren draagt, kan dat moeilijk het volk worden verweten.

J.H. Sampiemon is commentator voor NRC Handelsblad.