PvdA toont zich late bekeerling

De PvdA Tweede-Kamerfractie presenteerde eerder deze week een nota voor de toekomst van de krijgsmacht. Anders dan bij eerdere gelegenheden pleit de fractie nu eens niet voor bezuinigingen. In 17 maanden is de PvdA van mening veranderd en dat zegt niet alleen iets over haar, maar ook iets over de kwaliteit van het Nederlandse veiligheidsdebat, meent J.M. Bik.

De PvdA heeft gisteren uit verschillende hoeken eigenaardige complimenten gekregen. Bij gelegenheid van de presentatie van een plan van haar Tweede-Kamerfractie voor de toekomst van de krijgsmacht heette het namelijk vrijwel alom: met uw ideeën zijn we het vaak oneens, zij zijn niet uitvoerbaar of deugen niet, maar in elk geval zegt u nu eens niet dat u op Defensie wilt bezuinigen en dat is een hele opluchting.

Zo zal je maar geprezen worden als grootste regeringspartij na het uitbrengen van een nota waarop veel af te dingen is maar die toch interessant is door de consequente keuze voor meer parate eenheden. En door het pleidooi voor een meer geïntegreerde centrale beleidsontwikkeling `boven' de rivaliserende krijgsmachtdelen. Maar de PvdA heeft de afgelopen jaren zó vaak, soms ook zó uit de losse pols, bezuinigingen op Defensie gevraagd, dat zij zich er niet over moet verbazen dat het iedereen nu vooral opvalt dat zij dat deze keer niet doet.

Want in het onder leiding van oud-Kamerlid Harry van den Bergh gemaakte PvdA-plan staat uitdrukkelijk dat de bedoeling is om vrijgemaakt geld, bijvoorbeeld door het afschaffen van het Nederlands-Duitse legerkorps of de halvering van het aantal (grote) fregatten van de marine, ,,primair' weer aan Defensie te besteden. Hoewel, je weet maar nooit wat `primair' over een paar jaar zou betekenen. En dat weet je zeker maar nooit als je de geschiedenis van dit decennium overziet.

Een goed vertrekpunt ligt dan in 1993, het jaar waarin PvdA-minister Ter Beek zijn Prioriteitennota uitbracht als nieuw begin na de Koude Oorlog. Hoewel die nota voortdurend door alle grote partijen als minimaal en nog net aanvaardbaar werd beschreven ging er tot en met de kabinetsformatie van 1998 toch geen jaar voorbij zonder dat, soms stevig, op Defensie werd bezuinigd. Dat ging door tot en met vorig jaar zomer, toen onder druk van de PvdA (en D66) kortingen van jaarlijks 375 miljoen gulden tot en met 2002 in het regeerakkoord van Paars II werden opgenomen.

`Kosovo' moest toen nog komen, dat is waar. Maar verder was in de internationale situatie sinds 1993 niet zoveel veranderd. Dus kon de gedachte opkomen dat, ondanks het prettige economische klimaat, eenvoudig naar geld was gezocht dat, electoraal gesproken, vrij gemakkelijk bij Defensie te halen viel. De VVD-ministers De Grave (Defensie) en Van Aartsen (Buitenlandse Zaken) zouden `achteraf', namelijk in hun Hoofdlijnennotitie van begin dit jaar en straks in de Defensienota-2000, een soort rationalisatie voor de alvast in het regeerakkoord afgesproken bezuinigingen moeten leveren.

Dat kan, papier is geduldig. Het is interessant te noteren dat de fractieleden Koenders, Valk en Zijlstra aan de nieuwe PvdA-nota hebben meegewerkt. Want hun namen stonden ook onder een PvdA-fractienota van 23 april 1998 (`Investeren in een nieuwe krijgsmacht') die een bezuinigingsdoelstelling van 750 miljoen gulden in 2002 had. Een nota was dat, 17 maanden geleden, die ook anderszins nogal verschilt van het PvdA-werkstuk dat gisteren de deur uitging.

Enkele voorbeelden, het is meer een greep: toen mochten nog twaalf grote marinefregatten worden gehandhaafd, nu acht. Toen werden twee squadrons F-16's afgestoten, nu één. Toen werd gepleit voor twaalf parate bataljons in 2002 als versterkte Nederlandse bijdrage aan het Duits-Nederlandse legerkorps. Nu wordt dat vijf jaar geleden door premier Kok en kanselier Kohl geïnstalleerde korps zonder enig vooroverleg met de regerende vrienden van de SPD voor opheffing aanbevolen – omdat zulke grote verdedigingseenheden eigenlijk niet efficiënt zouden zijn. Meer nog, volgens Harry van den Bergh gaat een PvdA-delegatie deze blijde boodschap 19 september in Berlijn overbrengen onder het motto: u mag ons dankbaar zijn, op den duur was u anders zelf ook wel gaan inzien dat zulke legerkorpsen achterhaald zijn.

Dat is tamelijk pretentieus en vermoedelijk niet goed voor de relaties met de Duitse zusterpartij, die de afgelopen halve eeuw vaak toch al niet rimpelloos waren. Daarbij mag worden bedacht dat Nederland op militair terrein nogal eens tegen Duitsland `aanleunt', op het ogenblik is dat zo in Kosovo. Nog zoiets: de Nederlandse marine werkt nauw samen met de Britse. In Londen, waar óók geestverwanten regeren, zal men vreemd opkijken van de marineplannen van de PvdA. Het is de vraag of de PvdA-fractie wel genoeg heeft nagedacht over de internationaal-politieke aspecten van haar aanbevelingen. Want ondanks mooie zinnen over het belang van meer Europese defensiesamenwerking heeft haar nota in feite een nogal `nationaal' karakter. Dat valt ook op waar de PvdA naast haar consequente keuze voor (veel) meer parate eenheden voor internationale crisisbeheersing tegelijkertijd de aanwezigheid van Nederlandse officieren in internationale staven wil beperken.

`Srebrenica' lijkt als substituut voor het Nederlandse veiligheidsdebat even van de agenda verdwenen. Iedereen spreekt nu over de `lessen van Kosovo' en de noodzaak de Europese defensiesamenwerking te versterken. Allerlei nota's, aanbevelingen en adviezen rollen van de persen. Het instituut Clingendael beval een `expeditionaire krijgsmacht' aan, die Nederland een plaats aan tafel naast grote landen moet geven en die zowel voor klassieke oorlogvoering als voor militaire interventies in crisisgebieden geschikt moet zijn. Jammer genoeg hing Clingendael aan dat advies geen prijskaart. Het wetenschappelijk bureau van de VVD kwam met iets aparts: het waarschuwde voor de dreiging uit Oost-Europa en dictatoriale regimes in het Midden-Oosten. Dan was er, vorige week, de conclusie van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) dat het defensiebudget ontoereikend is om de taken van de krijgsmacht te kunnen uitvoeren. Nu is er de nieuwe nota van de PvdA, andere partijen zijn ook aan het werk. Een goede maand geleden eindigde voorts het Strategisch Toekomstdebat dat minister De Grave organiseerde nadat hij in januari zijn gedetailleerde Hoofdlijnennotitie had uitgebracht. Die discussie werd trouwens grotendeels gevoerd door (oud-)opperofficieren, wetenschappers en andere deskundigen die ook zonder uitnodiging van De Grave hun mening wel zouden hebben laten horen.

Een gemeenschappelijk kenmerk van al dat werk is minstens de notie dat nog meer bezuinigen op Defensie eigenlijk niet kan. Het zou mooi geweest zijn als al dat werk beschikbaar zou zijn geweest vóór vorig jaar zomer min of meer out of the blue nog eens anderhalf miljard aan bezuinigingen in het regeerakkoord werden opgenomen. Premier Kok en fractieleider Melkert, die nu zo indringend spreken over het grote belang van meer Europese defensiesamenwerking, zaten er vorig jaar bij aan de formatietafel. De nieuwe PvdA-nota verduidelijkt nog eens dat de procedure die destijds voor een aantal verkiezingsprogramma's en het regeerakkoord is gekozen – we spreken een flink bezuinigingsbedrag af en de motivering daarvoor bedenken we later wel – niet deugde. De PvdA is in 17 maanden tijd flink van mening veranderd en dat zegt niet alleen iets over haar, maar ook iets over de kwaliteit van het Nederlandse veiligheidsdebat. Je weet het maar nooit: als Kok en Melkert nu alsnog bezorgd zijn over de gevolgen die dat voor het regeerakkoord heeft gehad, kunnen ze daar alsnog wat aan doen.

J.M. Bik is redacteur van NRC Handelsblad.