Partijen verdelen de buit in Kosovo

Wat is van wie in Kosovo? Sinds het vertrek van de Serviërs is er grote onduidelijkheid over de oude staatseigendommen.

Bij een benzinestation in het centrum van Priština staat een jongen met kaalgeschoren hoofd en een baardje. Hij was soldaat van het Kosovo Bevrijdingsleger UÇK, hij vocht in het noorden van Kosovo. Nu is hij, zegt hij, de eigenaar van het benzinestation. Hoe hij aan de pomp komt, wil hij niet zeggen. Hij wil ook niet zeggen hoe hij heet, hij zegt alleen: ,,Ik was een dappere soldaat.'' Een van de pompbediendes geeft hem een stapel bankbiljetten. De `eigenaar' vouwt ze in zijn broekzak en rijdt weg in een gloednieuwe, rode Mercedes.

,,Onzin'', zegt Bedri Selmani, directeur van het bedrijf Kosova Petrol, ,,die pomp is van ons.'' Kosova Petrol, dat 58 benzinestations beheert, heette tot tweeënhalve maand geleden Beopetrol. Het was Joegoslavisch staatseigendom. Nu is het bedrijf volgens de directeur van de `staat Kosovo' die wordt bestuurd door de zelfbenoemde regering van UÇK-leider Hasim Thaçi. Hij werd door Thaçi aangewezen als directeur.

De benzinestations? ,,Die zijn van ons'', zegt Gerald Fisscher van het VN-bestuur in Kosovo. Hij is waarnemend hoofd Openbaar Bestuur en plaatsvervanger van Bernard Kouchner, de hoogste VN-vertegenwoordiger in Kosovo. ,,We moeten dit gebied op gang krijgen en leiden. Het is een operationele beslissing: wij hebben alle staatseigendommen overgenomen.''

Die beslissing staat niet op papier. Bedrijven en gebouwen worden nu nog per bedrijf of per gebouw in een decreet tot VN-eigendom verklaard. Volgens Fisscher moeten de `details' van een beslissing over álle publieke eigendommen nog worden uitgewerkt. Misschien zelfs in overleg met de regering Belgrado, die de VN al van diefstal heeft beschuldigd. KFOR-militairen controleren en bewaken nu de elektriciteitscentrales en de Trepca-mijnen in Noord-Kosovo.

De VN-juristen in Priština vergaderen er iedere dag over, maar ze zijn er nog niet uit. Wat moeten ze bijvoorbeeld met bedrijven die maar voor een deel staatseigendom waren? Wat moet er gebeuren met directies die door het UÇK werden benoemd? En van wie zijn de huizen, winkels, cafés en restaurants die gevluchte Serviërs hebben achtergelaten?

De regering van UÇK-leider Thaçi doet er niet moeilijk over. Al zo'n twee weken na het eind van de bombardementen plakten UÇK-soldaten briefjes op verlaten huizen van Serviërs: `Eigendom van de regering van Kosovo'. En op 16 juli werd er een decreet uitgevaardigd waarin stond dat de belangrijkste staatseigendommen – mijnen, benzinestations, spoorwegen, postkantoren, water- en elektriciteitsbedrijven – nu van de regering waren. De andere bedrijven vielen onder verantwoordelijkheid van de gemeentebesturen, die bijna allemaal worden geleid door een UÇK-burgemeester.

De regering van Thaçi heeft de gemeenten nu ook toestemming gegeven om belasting te heffen. Basri Musmurati, in de Thaçi-regering vice-minister voor Lokaal Bestuur, wil niet zeggen hoeveel belasting de burgemeesters mogen eisen. ,,Het is beter om daar niet over te praten voordat ons plan klaar is.'' Ook het VN-bestuur werkt aan een belastingplan. De belasting die de UÇK-gemeentebesturen heffen, noemt Gerald Fischer `afpersing': ,,Winkeliers worden lastig gevallen en gedwongen een deel van hun omzet af te staan. Mafia-methoden.''

Volgens Sabri Mikulovci, directeur van het Grand Hotel in het centrum van Priština, proberen ook VN-medewerkers wat te verdienen aan bedrijven die ze nu hun eigendom noemen, zelfs als ze niet zeker weten of die wel echt van hen zijn. ,,Als er gasten van de VN komen, zeggen ze: dit hotel is van ons, we willen korting.'' Die korting krijgen ze. ,,Maar als we de VN geld vragen voor een nieuwe afwasmachine, zeggen ze: dit hotel is niet van ons.''

Het VN-bestuur weet niet wat het met het Grand Hotel aan moet. Voordat de regering in Belgrado een eind maakte aan de autonomie voor Kosovo, tien jaar geleden, was Mikulovci er directeur. Het Grand Hotel maakte deel uit van een staatsbedrijf dat nog drie hotels had in Priština en negentien cafés en restaurants. Mikulovci werd in 1990 ontslagen. Tot 1995 was het hotel in handen van de paramilitaire leider en zakenman Arkan.

De directeur die het Grand Hotel na hem leidde, ook een Servische zakenman, ging er volgens Mikulovci eind juni vandoor met zo'n zeshonderd Duitse mark. Zijn hotel werd, twee weken na het eind van bombardementen, bezet door een UÇK-eenheid die zichzelf het `Atlantische bataljon' noemde, met vrijwilligers uit de Verenigde Staten. De UÇK-soldaten vierden feest in de kelder van het hotel, het Servische personeel vluchtte. De Albanezen werden eruit gezet door Britse KFOR-militairen.

Het UÇK-commando van Priština benoemde Mikulovci opnieuw tot directeur, in overleg met KFOR. Maar het VN-bestuur is er niet zeker van dat het hotel wel echt een staatsonderneming is. Er zouden te veel particulieren zijn die zich eigenaar noemen. Zelf het Atlantische bataljon zou het Grand Hotel hebben opgeëist, maar dat was een grapje.

Het hotel draait, er kon ook zonder geld van de VN een nieuwe afwasmachine worden gekocht. Maar de directeur moet er niet aan denken dat binnenkort de regering van Thaçi én de VN belasting zullen eisen. Wie hij dan betalen zal? De directeur: ,,Ik accepteer het VN-bestuur als wettig gezag in Kosovo. Ik zal de andere regering ervan proberen te overtuigen dat ze bij de VN om het geld moeten vragen.'' Hij schrikt van wat hij zegt. ,,Weet u zeker dat dit alleen in Nederland wordt gepubliceerd?''

Gerald Fisscher van de VN is vastbesloten. De regering van Thaçi, door Fisscher `die illegale, zogenaamde regering' genoemd, wordt alleen geraadpleegd bij beslissingen van de VN, meer niet. Vice-minister Musmurati moet er hard om lachen, hij zegt: ,,Zonder het Albanese volk kan de VN niks. En het Albanese volk, dat zijn wij.''