Overal zelf in de hoofdrol

De Engelse schrijver Bruce Chatwin stierf tien jaar geleden. Hij was nog jong – pas 49 jaar – en hij had het met zijn een na laatste boek The Songlines net gemaakt van cult-schrijver tot literaire veelverkoper. Bijna niemand, ook Chatwins naasten niet, mocht weten dat de schrijver aids had. In de uitvoerige eulogieën die na zijn dood in de Britse pers verschenen (een commentator merkte op dat het wel leek of Lord Byron was overleden) was nog veelal sprake van `een mysterieuze tropische ziekte'.

Dat was de mythe die Chatwin zelf verspreid had. Hij schaamde zich voor zijn biseksualiteit en hij schaamde zich voor een ziekte die toen nog zo'n stigma had. Toen zijn moeder er vlak voor zijn dood achterkwam wat haar zoon mankeerde, zei ze dat ze hoopte dat ze zelf dood zou zijn vóór iemand zijn biografie zou schrijven. Die wens is vervuld, want Bruce Chatwin van Nicholas Shakespeare, voormalig literair redacteur van The Daily Telegraph, verscheen pas deze zomer: tien jaar na de dood van de schrijver, vier jaar na het overlijden van zijn moeder, drie jaar na het verscheiden van zijn vader.

Chatwins vroege dood maakte zijn aantrekkingskracht als schrijver zo mogelijk nog groter. De foto op de omslag van zijn boeken is die van een blondharige, blauwogige jonge God. De flapteksten van In Patagonië, De Onderkoning van Ouidah, On The Black Hill, The Songlines en Utz versterken het beeld van de glamoureuze schrijver-reiziger, precies het imago waaraan Chatwin zijn hele leven heeft geschaafd. Onvervaard, nederig in zijn wijsheid en messcherp in zijn weetgierigheid: zo wilde hij gezien worden. Chatwin modelleerde zich naar Hemingway en Flaubert. Hun zinnen placht hij in bad te reciteren, zo luid dat zijn gastheren er 's nachts wakker van werden. Hij schreef en herschreef zijn teksten tot ze ook uiterlijk een sobere indruk maakten. Alinea's dienden niet meer dan enkele zinnen te bevatten, zodat ze er op de pagina's uitzagen als die in een Franse roman. `Zinnen als Fabergé-eieren', noemt Salman Rushdie ze. `Koud proza van een warme persoonlijkheid.'

Aan flarden

Nicholas Shakespeare is er niet op uit geweest om een mythe aan flarden te scheuren. Dat was al evenmin de bedoeling van zijn echtgenote Elizabeth Chanlin, anders zou zij Shakespeare geen gebruik hebben laten maken van Chatwins dagboeken en aantekeningen. De biograaf heeft wereldwijd de bronnen nagetrokken die Chatwin gebruikte. Hij sprak ook met tientallen – zo niet honderden – intimi uit de segmenten waarin Chatwin zijn bestaan verdeelde. Het resultaat is dat het boek werkt als een kaleidoscoop: brokstukjes Chatwin vallen bij elke wenteling in een andere samenstelling ineen.

Het beeld dat zo van Chatwin ontstaat is even gecompliceerd als de werkelijkheid zelf. De man is een uitvreter, een snob en een intellectuele dief. Hij is ook een bezeten jager naar kennis, een poëet en een literaire fantast. Volgens Graham Greene schreef hij `een van de beste reisboeken die ik ken' (In Patagonië) en Tom Maschler, Chatwins eerste uitgever bij Jonathan Cape, vond dat boek `een van de tien opwindendste gebeurtenissen in mijn carrière als uitgever.' Alleen al in de Britse edities verkochten Chatwins boeken met honderdduizenden exemplaren, vorig jaar gingen daar meer dan een miljoen paperback-exemplaren van zijn werk over de toonbank. Chatwins werk is inmiddels vertaald in 27 talen. Hij won belangrijke prijzen als de Booker Prize en de Hawthorn. Cruiseschepen met Amerikaanse toeristen doen, op gezag van In Patagonië, de kleine Welshe gemeenschap in Argentinië aan en een bezoek aan de binnenlanden van Australië is niet langer mogelijk zonder kennis te nemen van The Songlines – hoe `onwaar' cultureel-antropologen dat boek over het gedroomde landschap van de Aborigines ook vinden.

Bruce Chatwin (13 mei 1940) werd geboren in een pretentieloos middle class-gezin in Birmingham. Zijn vroegste herinneringen werden gedomineerd door de afwezigheid van zijn vader, die in de Britse strijdkrachten diende, en de aanwezigheid van een rariteitenkabinet in zijn grootouderlijk huis. Daarin bewaarde de familie zaken als Bruce's doopbeker, een kompas, de ketting van een oom-missionaris, maar vooral een stukje huid met ruw rood haar – de veronderstelde huid van een prehistorisch wezen. Dat stukje huid en de lange wandelingen met zijn grootvader over de Yorkshire moors vormden de grondslag voor een levenslange obsessie met verzamelen en trekken te voet.

Op kostschool – tien jaar lang, van zijn achtste tot zijn achttiende – legde Chatwin zijn Birmingham-accent en zijn kleine-jongenseigenaardigheden af en werd hij volgens Shakespeare `emotioneel onaantastbaar'. Geen van zijn tijdgenoten had ooit gedacht dat die onopvallende Bruce Chatwin schrijver zou worden, al fantaseerde hij er toen al lustig op los.

Schurk

Op voorstel van zijn moeder kwam Bruce terecht bij het veilinghuis Sotheby, waar hij als beginneling nummers mocht plakken op de collectie in de afdeling Works of Art. `Smootherboy' trok al gauw de aandacht van de toenmalige topman Peter Wilson, die bezig was Sotheby een waardige concurrent te maken van Christie's, van oudsher het veilinghuis voor de Britse aristocratie. Bij beide veilinghuizen spelde men de overlijdensadvertenties om te zien welke objecten van de treurende families konden worden losgeweekt. Shakespeare schrijft: `Christie's stuurde bloemen, Sotheby stuurde Bruce.'

De jonge Chatwin ontwikkelde zo een feilloos kennersoog, maar ook een specialiteit in het omgaan met rijke oudere dames en het van zich afhouden van bejaarde homoseksuelen. In `een wereld van barokke monsters' gebruikte Wilson de jonge Bruce als aas. Dat was bovendien in een tijd dat homoseksualiteit nog niet modieus was en zelfs (tot 1967) bij wet verboden. Bruce zelf voelde zich op zijn minst seksueel gedesoriënteerd. Zijn mannelijke partners verstopte hij, zelfs voor zichzelf. In 1961 trouwde hij tenslotte met Wilsons secretaresse, de Amerikaanse historica Elizabet Chanler. Hun huwelijk zou tot het einde standhouden, al behandelde Chatwin Elizabeth abominabel (`ik was dat lastige element ergens op het platteland') en kroop hij alleen naar haar terug als hij stabiliteit of verzorging nodig had.

Toen Wilson Chatwin geen aandeelhouder-directeur maakte, zei hij Sotheby vaarwel. Hij zette zich alsnog aan een archeologie-studie. Die poging was ten dode opgeschreven, want Chatwin `zag zichzelf als de opvolger van Howard Carter', de ontdekker van het graf van Toetankhamon, niet als iemand die dodelijk saai veldwerk moet doen. Wanneer hem gevraagd wordt voor een galerie in New York een tentoonstelling in te richten over Nomadische Kunst van de Aziatische Steppes neemt Chatwins `grande idee' bezit van hem. Het is dat `de mens geboren is om te migreren; dat de evolutie hem een instinct heeft meegegeven om lange afstanden af te leggen en dat dat instinct, wanneer de menselijke soort zich vestigt, overkookt in geweld, in inhaligheid, in statuszoeken of in een manie voor het nieuwe.'

Zwerven

Wetenschappelijke bronnen noemen Chatwins these onjuist: nomaden zwerven op zoek naar voedsel, maar zouden liever op een vaste plaats blijven. Chatwins catalogus voor de expositie, een soort vingeroefening voor een boek dat hij Het Nomadisch Alternatief wilde noemen, was onleesbaar en werd afgekeurd, maar Tom Maschler van uitgeverij Jonathan Cape zag in Bruce Chatwin potentieel een equivalent van Desmond Morris, auteur van de bestseller The Naked Ape. Hij gaf Chatwin een voorschot en lanceerde daarmee diens carrière als schrijver.

Nicholas Shakespeare chroniqueert nauwkeurig de vele reizen die Bruce Chatwin tijdens zijn schrijverschap maakte, vaak in het gezelschap van anderen. Die blijken bij navraag een heel andere herinnering te hebben aan de avonturen waarin Bruce zichzelf steevast een hoofdrol toekende. De mensen die hem ter plekke informatie of een rolmodel verschaften, lijken zich onveranderlijk verraden te voelen door de manier waarop Chatwin er met hun verhaal of hun deskundigheid vandoor is gegaan, altijd maar suggererend dat hijzelf de allesweter is. De fotografe Eve Arnold, van wie hij een gesprek met de Indiase premier Indira Gandhi `stal', zegt: `Hij vond dat het verhaal gewoon beter werd als hij daarin nummer één was. Een auteur schrijft zichzelf gewoonlijk uit het verhaal. Bruce schreef zichzelf er opzettelijk in.'

Thuis schrijven, bij Elizabeth in het sombere buitenhuis in Oxfordshire, kan hij niet. Dus legt hij langdurig beslag op de gastvrijheid van kennissen – hoe beroemder, hoe beter – met voor hem geschikte accommodatie, en steekt daar vervolgens geen hand uit. `Hij kon zich gewoon niet voorstellen dat hij ergens niet welkom was', meent Elizabeth.

En toch, alle irritatie en gekrenkte trots en vertrapte emoties blijken uiteindelijk van ondergeschikt belang wanneer Shakespeare mensen aan het woord laat over die andere kant van Chatwin: de charmeur, de toneelspeler, de grappenmaker, de verhalenverteller, de verleider. `Of je nu een man, een vrouw, een jachtluipaard of een theemuts was, hij moest je eronder krijgen', zegt een van zijn vriendinnen.

Bruce Chatwin leefde vier jaar lang met de wetenschap dat hij aids had. Hij stierf in Frankrijk in het huis van Shirley Conran, ex-echtgenote van de ontwerper/restaurateur Sir Terence Conran en moeder van de mode-ontwerper Jasper Conran, die 22 jaar oud was toen Bruce zijn eerste grote liefde werd. Op zijn sterfbed had Chatwin Elizabeth bij zich. Jasper Conran voelde zich bitter verraden. `Waarschijnlijk hield Bruce meer van zichzelf dan van wie ook', zei hij. `Niets betekende meer voor hem dan het geschreven woord.'

Nicholas Shakespeare: Bruce Chatwin. The Harvill Press, 602 blz. ƒ79,60

    • Hieke Jippes