Over kunst, stijl en verveling

Heeft een negentigjarige nog nieuws te vertellen? Of zal het jongste boek van Ernst Gombrich, kunsthistoricus sinds 1933, vooral oud nieuws brengen? Sinds hij in 1936 wegens het oplaaiende antisemitisme uit Wenen naar Londen vertrok, heeft Gombrich zo'n zestien studies geschreven. De ene helft toen hij verbonden was aan het Warburg Institute, het Hamburgse heiligdom der humaniora dat in 1933 om dezelfde redenen naar Londen was uitgeweken. De andere helft na zijn pensioen in 1976.

The Uses of Images is een bundel van lezingen en opstellen uit de periode 1976-1993. In zekere zin oud nieuws dus. Maar de Gombrich-lezers zullen de addenda niet willen missen, want die blijven bij een geleerde van zijn formaat wel degelijk nieuws. Bovendien brengt hij alles met een niet aflatende scherpte van geest en pen. Echt nieuw is de haast wat modieuze ondertitel van de bundel: `Studies in the Social Function of Art and Visual Communication'. Die verbaast, want Gombrich is nooit de man van de kunstsociologie geweest. Zijn interdisciplinaire aspiraties lagen op het gebied van de biologie, de (waarnemings)psychologie en de filosofie, vooral die van zijn eveneens uit Wenen afkomstige vriend Karl Popper. Waarom nu dan sociaal doen? Misschien om te laten zien dat social studies iets anders kunnen zijn dan wat doorgaans onder die vlag vaart. Geen marxistisch getinte interpretaties en ook geen zogeheten new art history, de stroming die machtsstructuren en social identities in de kunst wil blootleggen. Het gaat Gombrich erom hoe de geschiedenis van de kunst in sociale zin door een wisselwerking van vraag en aanbod is bepaald. Maar dan meer op een manier zoals in het vakgebied van de ecologie verbanden en ontwikkelingen begrepen worden.

Cultus van de Rede

Die invalshoek komt niet in alle essays even duidelijk naar voren, want de onderwerpen zijn nogal uiteenlopend. De eerste twee borduren voort op zijn Art and Illusion (1960): hoe in de renaissance muurschilderingen en altaarstukken zich ontwikkelden van een schematische weergave naar een meer naturalistische, illusionistische voorstelling en hoe dat nieuwe uitdagingen voor kunstenaar en publiek met zich meebracht. Verder schrijft hij over laat-gotische schilderkunst als luxury objects en over werking van standbeelden in de publieke ruimte. In een verhandeling over symboliek in de Franse Revolutie, The Dream of Reason geheten, laat hij zien hoe moeilijk het was om een geëigende beeldtaal voor de Cultus van de Rede te ontwikkelen. En in een essay over Pictorial Satire pakt hij een thema op waarover hij in de jaren dertig samen met zijn leermeester Ernst Kris een vanwege de Anschluss nooit gepubliceerd boek had geschreven. Kris was kunsthistoricus en psychoanalyticus, behorend tot de huisvrienden van Freud.

Letterlijk over beeldgebruik gaat Pictures for the Home. Hierin analyseert hij hoe schilderijen in de loop der eeuwen in woonvertrekken zijn opgehangen. Hij eindigt met een foto van rond 1925 van de muziekkamer van zijn moeder (die pianolerares was) waar fotografische reproducties van beroemde werken uit de Italiaanse renaissance aan de muur hingen. Reproducties van meesterwerken in je huis gelden tegenwoordig niet meer als getuigenis van goede smaak. Maar, zo legt Gombrich uit, in het Wenen van zijn jeugd was dat voor een ontwikkelde middenklasse een blijk van Bildung, vergelijkbaar met de boeken die iemand bezat of de concerten die men bezocht. Geen reden om daar laatdunkend over te doen. Moderne, schijnbaar minder conventionele voorkeuren voor wanddecoratie dragen immers evengoed beschavingsidealen uit.

Een essay dat bepaald niet over meesterwerken gaat is The Pleasures of Boredom. Hierin bespreekt hij het fenomeen van doodles: de pennenkrabbels die we maken tijdens een telefoongesprek of een weinig inspirerende vergadering. Die zijn van alle tijden en vormen zelfs een verzamelgebied. De Banco di Napoli heeft er een historische collectie van en het hier gepubliceerde stuk schreef Gombrich in 1991 als introductie op de catalogus daarvan. Belangstelling voor deze hoogstpersoonlijke tekenkunst rees in de jaren twintig toen de surrealisten de écriture automatique propageerden. Maar de fascinatie ervoor verbreidde zich vooral, zoals Gombrich zich herinnert, door het succes van de film Mr Deeds Goes to Town (1936), waarin doodling een sleutelrol in de plot speelt. Inspelend op die fascinatie bood een Engelse krant in 1937 de mogelijkheid om doodles in te zenden die door een psycholoog zouden worden geanalyseerd. Gombrich, toen net in Londen aangekomen, deed mee. Dat leverde publicatie in de wekelijkse doodle-page en tien shilling op, plus de gratis analyse dat deze terrible doodler `unconventional, tolerant, spontaneous' en `not interested in machinery' was. Om het geboden zelfinzicht was het Gombrich niet te doen geweest. Hij had meegedaan omdat hij in doodles geïnteresseerd was geraakt door zijn contact met de reedsgenoemde Ernst Kris in zijn laatste Weense jaren. Kris geloofde dat doodling een mechanisme zou zijn waarbij het onbewuste zich - in visuele gedaante - van aggressie en verlangens kon bevrijden. Gombrich is ondertussen minder in de diepte-psychologische betekenis van de doodle geïnteresseerd. Hij vraagt zich nu vooral af hoe zoiets in het menselijke brein functioneert. Het antwoord zou volgens hem kunnen zijn dat volledige concentratie niet lang is vol te houden en doodling een manier is om de geest beter gericht te houden, juist doordat die onderwijl onmerkbaar geamuseerd wordt.

De meest `sociale' bijdrage van de bundel is Styles of Art and Styles of Life, de Reynolds-lezing die hij in 1991 in de Royal Academy uitsprak. Hij neemt daar het lastige fenomeen stijl ter hand. Van stijl denkt men vaak dat het een uiting van de tijdgeest is. Gombrich gelooft dat niet en trekt in deze lezing - niet voor het eerst trouwens - ten strijde tegen het Hegeliaanse spook van de Zeitgeist. Zoals hij een instinctive aversion heeft tegen alle vormen van collectivisme, kan hij niet verdragen dat menselijk handelen gestuurd zou zijn door een kracht buiten de mens om. De gedachte dat een bepaalde geest het plan der geschiedenis beheerst, diskwalificeert hij in navolging van Karl Popper als `historicisme'. Gombrich ziet dan ook meer in Poppers anti-metafysische opvatting dat de geschiedenis slechts de uitkomst is van handelingen van individuen, in reactie op de situaties waarmee ze geconfronteerd worden.

MensenwerK

Stijlontwikkeling is dus gewoon mensenwerk, te begrijpen vanuit een sociale benadering. Hij haalt Pierre Bourdieus bekende La Distinction uit 1979 aan, waarin uiteen wordt gezet hoe groepen hun identiteit bepalen door die tegenover die van anderen af te zetten. Gombrich ziet het succes of falen van kunsthistorische stijlen op vergelijkbare wijze bepaald door behoefte aan onderscheiding van verschillende sociale groepen. Maar hij haast zich wel om er bij te zeggen dat dit geen reden is `to surrender to relativism as Bourdieu has done'. Relativisme is voor Gombrich een van die andere hardnekkige spoken van onze eeuw. De waarde van kunst zal hij namelijk nooit als een sociaal product zien. Dat geldt alleen de uses of images, niet de making of images of the joy of images.

De ontkenning van de gedachte dat stijl een uitdrukking van de tijdgeest is, heeft wezenlijke gevolgen voor de kunstgeschiedenis. Het betekent dat kunstobjecten uit alle tijden voor de tegenwoordige mens in principe toegankelijk zijn. Die constatering geeft de kunsthistoricus bestaansrecht. Zou de `moderne mens' namelijk wezenlijk anders zijn dan de `Renaissance-man' of `Rococo-vrouw', dan was hun kunst voor ons afgesloten.

De Reynolds-lezing kan men als Gombrichs testament beschouwen: afrekenend met collectivisme, modernisme en relativisme; een pleidooi voor de relevantie van de traditie. Toen Gombrich een paar jaar geleden in een interview gevraagd werd voor welke waarden hij wilde vechten antwoordde hij zonder aarzelen: de beschaving van West-Europa. De verschrikkingen van diezelfde beschaving ten spijt, vindt hij dat we onze Olympus nog veel beter moeten leren kennen, omdat een leven met grote kunst een stuk draaglijker is. The Uses of Images is dan ook, heel kort samengevat, een oproep om niet neer, maar op te kijken tegen de meesterwerken in de Weense muziekkamer van zijn moeder.

E.H. Gombrich: The Uses of Images. Studies in the Social Function of Art and Visual Communication. Phaidon, 304 blz. ƒ95,–