Op de vlucht voor de kitsch

Hoe ik mijn moeder vermoordde luidde de titel van een indrukwekkend televisiedrama van Theodor Holman en Theo van Gogh over een haat-liefdeverhouding (met de nadruk op liefde) tussen een eeuwige puber van veertig en zijn tachtigjarige moeder. De hoofdrollen ervan werden vertolkt door de schrijver van het scenario (Theo Holman) en zijn moeder, een eigenzinnig intelligent mens met een concentratiekampsyndroom. Erg gewaagd en precair allemaal, maar hoe openhartig de gesprekken tussen hen ook waren, veel bleef ongezegd. Dat was meteen het knappe ervan, want het Grote Zwijgen (over de oorlog, het Jappenkamp, de trauma's) bleek het hoofdthema van de film te zijn.

Holman heeft het script van dit docudrama nu omgewerkt tot een roman, waarin hij probeert de last van het zwijgen verder uit te diepen. `Zwijgen is noodgedwongen stilte die de lucht vult met angst. Zwijgen is: niet vragen, pijn doen. En je mag niemand pijn doen', verzucht de verteller als hij terugdenkt aan een bezoek dat hij ooit met zijn moeder bracht aan het beeld voor Japanse krijgsgevangenen in Den Haag. De roman zit vol van dergelijke terugblikken, momenten van herinnering en reflectie waarvoor in de uit dialogen bestaande televisieversie geen plaats was. Zoals er ook geen ruimte was voor uitvoerige bespiegelingen van de moeder over wat haar, haar man en hun pas geboren dochtertje gedurende de oorlogsjaren in Indië allemaal is overkomen. Op papier krijgt de moeder alle gelegenheid om te vertellen hoe zij het Jappenkamp heeft doorstaan, verhalen die soms te gruwelijk zijn om aan te horen, maar waaruit ook een tot optimisme strekkende overlevingsdrang spreekt.

Onwillekeurig, zonder het te willen lijkt het, maakt Holman in de roman van zijn moeder een heldin, iemand die zich niet alleen tijdens de oorlog, maar vooral in de met nachtmerries gevulde jaren daarna op formidabele wijze heeft staande gehouden. Van pijnlijk zwijgen is geen sprake meer, eerder van een gegeneerd, bijna ondraaglijk, luisteren van de zoon, ongeveer zoals Karl Friedman in Tralievader de kampverhalen van haar gemaltraiteerde vader aanhoort en doorgeeft.

Voor zulk luisteren is moed nodig, want kinderen, ook degenen die klagen over het zwijgen van hun ouders, willen vaak helemaal niet weten hoe die ouders zijn gekrenkt, vernederd en gemold. Ze moeten de nodige schaamte overwinnen alvorens zich te kunnen openstellen voor dergelijke bekentenissen. In het televisiespel werd niet geluisterd. De nadruk lag op het drama van de zoon, die zichzelf op sarcastische wijze te kijk zette als een verwende neuroot, lijdend onder de oorlog van zijn moeder.

Als romanschrijver snijdt Holman dieper in eigen vlees, maar nog niet diep genoeg. Hij blijft zich verschuilen achter ironie en zelfspot, zoals onder andere blijkt uit zijn reactie op de ondraaglijke nachtmerries van zijn moeder: `Wij, mijn broer en ik, moesten daar als kind altijd heel erg hard om lachen. Als m'n moeder zo raar deed... Met haar armen zwaaien en zo ... en gillen... oehoe!' Ik kan me moeilijk voorstellen dat kinderen zo reageren op paniek en ontreddering van hun ouders, tenzij het uit diepe schaamte is, en juist over die schaamte zwijgt Holman nadrukkelijk. Dat afschuwelijke gevoel verbergt hij achter een krampachtige bagatellisering van elk oorlogsleed dat hij - met een beroep op `ervaringsdeskundige' Ischa Meijer, met wie hij er veel over heeft gesproken - afdoet als `kampkitsch'. Met `kitsch' bedoelt hij de vorm waarin datgene wat onzegbaar is op een wezenloze manier toch zogenaamd bespreekbaar wordt gemaakt

Hoe ik mijn moeder vermoordde is een wanhopige poging de kitsch door te prikken en het ontroerende is dat dit niet lukt. Het kan niet lukken, omdat Holman (nog) niet in staat is zijn moeders verdriet tot zich te laten doordringen en op `echtheid' te beoordelen. Hij zou wel willen dat haar verhalen nep waren – dat zou tenslotte ook zijn leed verzachten – maar hij voelt wel aan dat hij haar (en zichzelf) daarmee tekort doet. Makkelijker is het om zich het leed van zijn moeder volledig toe te eigenen en het slachtoffer te spelen dat zij van hem nog altijd niet mag zijn. Zelfs haar oprechte wens om op termijn haar leven te laten eindigen door euthanasie is onbespreekbaar omdat het hem te veel pijn zou doen.

De treffendste passages in deze schijnbaar luchtige maar in wezen hartverscheurend intieme roman zijn de onnadrukkelijkste, de stukken die niet over oorlog en dood gaan maar over het huishouden-Holman zoals het na de oorlog was. Veelzeggend is vooral het hoofdstukje over de `dubbele boodschappen' waarmee zijn moeder hem altijd pleegde op te zadelen (`Als je naar de bakker gaat, neem dan ook even bij GAll & GAll een fles jenever mee'). Elke emotionele gebeurtenis was verweven met iets anders schrijft hij, `door ons gezin liepen altijd twee verhalen door elkaar.'

Die `dubbele boodschap' blijkt erfelijk, want ook in Holmans roman lopen minimaal twee verhalen door elkaar, die hij in een wat kunstmatig aandoend nawoord onder een gemeenschappelijke noemer (zijn vader) probeert te brengen. Dat nawoord had hij wat mij betreft mogen weglaten. De boodschap, hoe dubbel ook, spreekt voor zichzelf. Een schrijver als hij, gedreven, integer, humorvol en stilistisch excellerend in de dialogen, heeft al die uitleg niet nodig. Het enige wat Holman nodig heeft om als romancier serieus te worden genomen is dat hij eindelijk zichzelf eens serieus neemt.

Theodor Holman: Hoe ik mijn moeder vermoordde.Nijgh & Van Ditmar, 142 blz. ƒ27,90